Recensies

Primal Scream – Screamadelica (1992)

Screamadelica heeft veel prijzen gewonnen. En wordt door veel mensen gezien als een baanbrekend album. Misschien is dat ook wel zo. Primal Scream, o.a. bestaande uit Bobby Gillespie, de vroegere drummer van The Jesus and Mary Chain, heeft een afwisselend album gemaakt, dat inderdaad wel goed is. Ondanks het veelvuldig gebruik van verschillende samples. De meeste nummers zijn geproduceerd door Andrew Weatherall en Hugo Nicolson. Het album begint met het gospelachtige Movin’on Up. I once was blind but now i can see. Dat had zo maar van George Michael kunnen zijn. Wat wordt opgevolgd door jungle ritmes met spacy bliepjes Slip Inside This House, een psychedelische dance nummer, en geschreven door Roky Erickson/Tommy Hall. Don’t Fight It, Feel It, doet aan The Stone Roses denken. Higher Than The Sun, is het eerste hoogtepunt van het album, hiermee beleef je een space trip van jewelste. Het nummer is geproduceerd door twee leden van The Orb. Inner Flight is een langzaam droomachtig elektronisch space avontuur, dat je even rust gunt. Daarna komen de biebjes weer opzetten met Come Together, en kun je als een voortzetting beschouwen van Inner Flight, waarin je eigenlijk wakker wordt uit die droom. Om dat te vieren zit er aan het einde ook een gospel achtig deuntje achter. Loaded, als single uitgebracht, bevat de drumloop van Edie Brickell’s What I Am en een sample van een film met Peter Fonda, zit knap in elkaar, maar voelt toch niet helemaal lekker. Het is echter wel meer rock dan die andere nummers. Damaged, een van de twee nummers van Jimmy Miller (met een Rolling Stones, Motorhead en Steve Winwood verleden), een van de producers van het album, is een rustpunt van het album, en ook meteen het tweede hoogtepunt. I’m Comin’ Down, ook een sterk nummer, met een mooi saxofoon gedeelte en bevat ook een sample uit een film (Paris Texas). Higher Than The Sun, een dub symphony in two parts, doet je aan The Verve denken, die zes jaar later een zelfde soort nummer maakte met Bitter Sweet Symphony, maar in dit geval is het een beetje zeurderig, en daarom een van de zwakkere nummers. Het duurd te lang en is wat eentonig. Het laatste nummer Shine Like Stars, is ook niet echt boeiend. Toch, het hele album samenvattend, kun je rustig stellen dat je Screamadelica als een soort genre kunt beschouwen. Knap gedaan.

Against Me! – Transgender Dysphoria Blues (2014)

Op dit album van deze uit Florida afkomstige post punk band staan tien nummers. Maar echt anarchistisch is voor punk begrippen muzikaal gezien allemaal niet. De agressie zit hem vooral alleen in de teksten, en die gaan vooral over de gevoelens van de geslachtsverandering van zanger en transgender Laura Jane Grace zelf, die vroeger Tom Gabel heette. En die zijn dus nogal persoonlijk. En daar gaat eigenlijk het hele album over. Heel af en toe zit er een rauw randje aan deze productie, maar de nummers zijn voornamelijk melodieus, en misschien zit deze muziek daarom dan ook meer tegen punk pop aan dan tegen punk rock. Deze muziek kun je daarom dan ook het best vergelijken met Green Day en Blink-182. Het enige nummer dat een beetje tegen rock aan zit is Osama bin Laden as the Crucified Christ. Het nummer dat echter het meest interessant is, is het meer rustiger en akoestische Two Coffins en het wat steverige Foo Fighters achtige Black Me Out. Het openingsnummer Transgender Dysphoria Blues laat er geen misverstand over bestaan hoe Grace tegen de buitenwereld aankijkt en de buitenwereld tegen haar: een en al onbegrip vanuit haar standpunt bekeken. Transgender Dysphoria Blues is muzikaal niet echt een bijzondere plaat, met maar drie goede nummers. Alleen het onderwerp zelf waar al die nummers over gaan maakt het album de moeite waard. In de punk gemeenschap is daar moed voor nodig. Maar muzikaal gezien stelt het echter weinig voor. Er is betere post punk gemaakt. En met blues heeft het uiteraard ook niets te maken.

Kool & The Gang – Celebrate! (1980)

Celebrate! kwam uit in 1980 en was alweer hun twaalfde album. Het tweede dat mede geproduceerd is door de Braziliaan Eumir Deodato. En zoals de albumtitel aangeeeft: het is inderdaad goede muziek om iets te vieren. Maar niet het hele album is een feest. Het zijn toegangelijke nummers, lekker in het gehoor, maar allemaal niet erg diepzinnig. Hun meest bekende nummer is dan ook Celebration (het is misschien een beetje flauw om te zeggen dat dit nummer helemaal nergens over gaat, behalve dan dat je het hele leven moet vieren). Maar het zijn wel nummers waar je vrolijk van wordt. De muziek op dit album heeft een grote aaibaarheidsfactor. En ook al is het allemaal wel erg zoetjes, en gaat het dus alleen maar over plezier maken, oppervlakkige vriendschappen en vluchige verliefdheden: je kunt geen hekel aan deze muziek hebben. Het is een soort combinatie van disco, jazz en funk. Je kunt duidelijk horen dat de muzikanten lol hebben in wat ze doen. Dat het tekstueel allemaal niet erg veel om het lijf heeft, hoefd blijkbaar geen belemmering te zijn om het je toch wel te kunnen laten raken. Want het is vakkundig gemaakt. You can make it to the top, don’t stop. En ze hebben groot gelijk. De blazers op dit album stelen vooral de show. Ronald Bell op saxofoon, Dennis Thomas op alt saxofoon en Robert Mickens op trompet, en de zachtaardige stem van lead zanger James J.T. Taylor, geeft je op de een of andere manier een rustgevend gevoel. Celebration. Maar soms is het feest voorbij, en zit je weer midden in de realiteit. Een ander opvallende nummer is het ook op single uitgebrachte Jones vs. Jones.

The Jackson 5 – Third (1970)

Om de een of andere reden kun je blij worden van deze muziek. Onschuldige dansmuziek dat je doet glimlachen. Maar dat hoefd natuurlijk geen argument te zijn om iets goed te vinden. Maar in dit geval is deze muziek ook best wel goed. Knap in elkaar gezet. Zoals alles van Motown. Third is inderdaad het derde album van The Jackson 5. Ze hadden toen al een aantal hits achter hun naam staan. Je kunt je haast niet meer voorstellen wat een hitfabriek de Jackson 5 toen was. Er staat dan wel geen eigen nummer op (vier covers zelfs) van welke Jackson dan ook, het zijn wel allemaal nummers die mooi en vakkundig gemaakt zijn. I’ll Be There zou je kunnen bestempelen als een tearjerker, een beetje te sentimenteel. Maar het is veel meer dan dat. Het heeft een prachtige doeltreffende tekst van o.a Berry Gordy en Hal Davis. Ready Or Not Here I Come (Can’t Hide From Love), later uitgevoerd door onder andere The Fugees., is een echt Motown nummer. Oh How Happy is een vrolijk popliedje. Bridge Over Troubled Water van Simon & Garfunkel kan me echter niet raken. Het is me een beetje te afstandelijk en iets te vormelijk. Goin’ Back To Indiana is weer een nummer waar je vrolijk van wordt, en is in feite een simpel lichtvoetig popliedje waarbij je niet hoefd na te denken, duidelijk een van de betere liedjes van dit album. Samen misschien met How Funky Is Your Chicken, dat veel diepgaander is, veel soul heeft, waar je meer van wil weten en wat je nieuwschierig maakt. Mama’s Pearl is een beetje te vergelijken met Goin’ Back To Indiana, een goed, vrolijk en vakkundig gemaakt popliedje, en in de goede zin van het woord gedragen opgenomen. Reach In, lijkt op het eerste gehoor nogal maatchappijkritisch te zijn, waarin geen plaats voor valse schijn is. The Love I Saw In You Was Just A Mirage, de vierde cover, van Smokey Robinson en The Miracles in dit geval, klinkt voor m’n gevoel alsof je ze met die ongelofelijke danspasjes en die prachtige pakken ziet optreden in je gedachten. Het laatste nummer Darling Dear is van Third het meest geslaagd, en lijkt qua tekst nogal emotioneel te zijn. Je hoort ze enigszins snikkend de wereld willen overtuigen dat het met de liefde wel goed zit. Of misschien juist ook niet.

Cerrone – Cerrone III (Supernature) (1977)

Is dan wel niet de beste disco wat er ooit gemaakt is, maar is misschien, wat mij betreft, wel het beste Euro disco album dat ooit is uitgebracht. Als je van dit genre houdt zou er onderzoek naar moeten doen, en dan zul je daar vanzelf achterkomen. De man heeft meer dan vijfentwintig albums uitgebracht, maar deze is dan waarschijnlijk ook de enige die de moeite waard is. Maar toch, als je er naar luisterd kun je dit misschien ook wel als compleet foute muziek beschouwen. Maar dat is het volgens mij nog net niet, het zit er net tegen aan. Het schommelt soms heen en weer tussen kwaliteit (de eerste drie nummers) en ronduit bedenkelijke kitch. Als je er naar luisterd kun je horen waar de jongens van Daft Punk in iedergeval hun inspiratie vandaan hebben gehaald. De muziek biedt namelijk zeer zeker beslist meer dan wat er toen allemaal in dicotheken gedraaid werd (dat was toen soms meer dan verschrikkelijk). Het meer dan negen minuten durende Supernature is uitstekend, en heeft zelfs enige diepgang. Net als In The Smoke, en is misschien nog wel beter dan het titelnummer. Dit is meer dan disco, dit is zelfs pure psychedelische space disco. De laatste drie nummers Give Me Love, Love is Here en Love is the Answer zou je eigenlijk moeten afkeuren, maar ze zijn zo fout, dat je ze om een bepaalde reden vanzelf wel weer goed gaat vinden. Ze zijn in ieder geval knap geproduceerd.

The Jacksons – Triumph (1980)

Je kunt rustig stellen dat dit een familie album is, en niet alleen door de Jackson broers. Maar ook door de achtergrondzangeressen Julia Tillman Waters en Maxine Willard Waters en een van nog een dochter Audra Tillman (kinderkoor). Ook La Toya Jackson is op dit album te bewonderen, op het nummer This Place Hotel met een voice scream. En er is nog een Jackson op dit album, gitarist Paul Jackson Jr. (Scritti Politty, Anita Baker, Michael Jackson), al is dat dan weer geen familie. Tot zo ver de familieverhoudingen. Triumph is het vierde album van The Jacksons, uitgebracht in 1980, vijf jaar nadat ze Motown hadden verlaten en toen voor Epic/CBS onder contract stonden. Michael Jackson had toen al het album Off the Wall uitgebracht, maar maakte nog steeds deel uit van The Jacksons. Triumph bevat negen nummers, met als meest bekende Can You Feel It, waarvan een geweldige video is gemaakt. Het album bevat prima funk zoals Walk Right Now en Wondering Who, pop, rhythm and blues, post disco en soul, met blaaswerk van o.a. Bill Reichenbach Jr. (Tom Waits), Jerry Hey (John Mayer) en Larry Hall, en hier en daar wat strijk arrangementen. Triumph heeft dansbare grooves met mooie samenzang, een aantal ballads, zoals Time Waits For No One. Soms persoonlijk en uiteraard met de bekende gilletjes van Michael Jackson. Alles mede geproduceerd door Greg Phillinganes (Donald Fagen, Anita Baker), die ook op alle nummers keyboards speelt. Percussion wordt op alle nummers gedaan door Paulinho da Costa (o.a. Bee Gees, Bonnie Raitt, Tori Amos, Bobby Womack). En ook Gary Coleman (o.a. Beach Boys, Van Dyke Parks, Hall & Oates) speelt op een paar nummers vibrafoon. Triumph is wel een aardig album maar niet zo goed als Thriller van Michael Jackson en Third Album van de Jackson 5.

The Delfonics – The Delfonics (1970)

Opgericht in Philadelphia door William Hart, Wilbert Hart, Randy Cain en Major Harris. Kwamen uit andere groepen als The Veltones, The Four Guys, The Four Gents en The Orphonics. The Orphonics werden later The Delfonics. La-La (Means I Love You), Break Your Promise, I’m Sorry en Can You Remember waren een aantal van hun grootste hits. Randy Cain verliet The Delfonics en begon een eigen groep genaamd Blue Magic. In 1974 begon Major Harris een solo carriere. In 1975 gingen The Delfonics uit elkaar. Het album The Delfonics, uit 1970, bevat zeven composities van het duo Thom Bell en William Hart, twee nummers zijn geschreven door William Hart, en een nummer When You Get Right Down To It is geschreven door songschrijver Barry Mann (en is in feite geen cover). Er zit soms een psychedelische randje aan deze Philly Southern soul. Producer Thom Bell (The Spinners, The Stylistics, The O’Jays) heeft werkelijk zijn best gedaan met dit album. De harmonieen zijn aanstekelijk om naar te luisteren, en hebben goed uitgewerkte orchestrale arrangementen. Sfeervol is een goed woord. Het zijn mooie romantische ballads. Met recht klassieke Philly soul. Er staan maar liefst vier hits op dit album Funny Feeling, Didn’t I (Blow Your Mind) (gebruikt in de Quentin Tarantino film Jacky Brown), Over and Over en Trying to Make a Fool of Me. Natuurlijk is het allemaal niet wereldschokkend wat je hoort, maar het geeft wel een mooi tijdsbeeld van wat voor verbazingwekkende groepen er allemaal in die tijd uit Philadelphia kwamen. En bovendien blijft de muziek je verassen. Je wilt er steeds weer nieuwe dingen in ontdekken. Funny Feeling is het beste nummer, zonder twijfel, maar verder staan er geen nummers op die echt uit de toon vallen. Het album zelf is iets beter dan Message From The Magic van Blue Magic.

Madonna – Like A Virgin (1984)

Mag denk ik, welke mening je er ook over hebt, niet ontbreken in een muziekverzameling. Wordt in hapbare brokken geserveerd. Madonna bestormde de hitlijsten in de jaren tachtig waar niemand omheen kon. Like a Virgin was haar tweede album. Maar niet elk nummer is raak. Er staan een paar ronduit zwakke nummers op. Madonna was erg populair in die jaren, de wereld lag aan haar voeten. Je moet die tijd meegemaakt hebben om er over te kunnen oordelen. Madonna was de Queen, en haar fans waren haar onderdanen. Zo ging dat in die jaren. Ook dankzij MTV. Bubblegum pop! Material Girl, Angel, Like A Virgin en Dress You Up, waren singles die Madonna lanceerde als een muzikale komeet. Ze was het voorbeeld voor vele jonge meisjes die zich met haar identificeerden. Zij was als het ware de material girl die een virgin en een angel was. Mede verantwoordelijk voor dit alles was beslist Nile Rodgers (The Vaughan Brothers, Jimmie Vaughan, Al Jarreau, Chic, Diana Ross, The B-52’s) samen met een paar andere Chic muzikanten. Maar zoals gezegd staan er een paar niet al te beste nummers op, zoals Over and Over. Je hoort allemaal een en al zelfmedelijden. Relaties die stuk gaan, alle mannen zijn slecht, en girl power. Love Don’t Live Here Anymore (de enige cover op dit album), is ronduit over de top. Melodramatische pseudo emo, gebracht door een zangeres die zich alles kan veroorloven blijkbaar. Dress You Up, is ook een niet al te best nummer (de gitaarsolo gaat nog wel). Shoo-Bee-Doo, is ook een zwak nummer, dat net als Dress You Up nog net niet uitgevoerd had kunnen worden door iemand als Sylvester (maar ook hier staat een goede saxofoonsolo op). Ook Pretender is een niemandalletje, en gaat helemaal nergens over. En ook Stay, het laatste nummer, is niet interessant. Like a Virgin zal waarschijnlijk niet het slechtste album zijn waarop Rogers als producent gewerkt heeft. De enige reden wat dit album de moeite waard maakt, zijn de drie singles Like a Virgin, Material Girl en Angel. En dat is het dan ook.

Mezzoforte – Octopus (1980)

Geen jazz fusion maar jazz funk, maar misschien ook wel iets wat er tussen in ligt. Te vergelijken met Shakatak het Japanse Casiopea en minder met andere jazz fusion bands als Weather Report, Brand X en Return To Forever. Octopus, dat ook wel bekend staat als I Hakanum, bevat acht arrangementen, met niet al te zwaar op de maag liggende instrumentale stukken. Wellicht ontbreekt er iets aan. Misschien is het allemaal te smooth, halen ze met alles net niet helemaal door, en is het te liefjes. Moeilijk om dat precies aan te geven. Het is allemaal niet al te ingewikkeld. Geen complexe fusion, maar lang uitgesponnen thema’s, misschien wel een beetje te lang. Geen tempo versnellingen, maar kabbelt alles soms tot vervelens toe door. Op de een of andere manier pakt het je net niet allemaal. Of zit het er net tegen aan. Het lijkt soms net alsof alles op de achtergrond blijft hangen. Mist het een eigen gezicht. Soms gaat het zelfs irriteren, is het allemaal te perfect waar geen avontuur in zit. Af en toe hoor je een saxofoon of een gitaar solo. Het openingsnummer Humoresque heeft een beetje weg van Garden Party (uitgebracht als single van het jaar later verschenen album Surprise Surprise), en is op zich wel een aanstekelijk nummer. Een uitzondering is het nummer Northern Winds, waarop het wat meer naar de fusion toe gaat, met de bas wat meer op de voorgrond en met een meer dan goede gitaar solo. Rendez-Vouz, het zevende nummer, is een soort mix tussen funk- en smooth jazz. Ook wel prettig om naar te luisteren. Je moet geduld hebben tot het laatste nummer Finale, waar deze uit Ijsland afkomstige jongens eindelijk laten horen waarop ze echt toe in staat zijn. Onheilspellende, tot de verbeelding sprekende fusion, waar een beetje spanning in zit. Al duurd dat nog geen drie minuten.

Fiona Apple – When The Pawn… (1999)

De naam van dit tweede album van Fiona Apple is een van de langste albumtitels in de geschiedenis van de populaire muziek. Het heeft negentig woorden. When The Pawn… heet eigenlijk When the Pawn Hits the Conflicts He Thinks Like a King What He Knows Throws the Blows When He Goes to the Fight and He’ll Win the Whole Thing Fore he Enters the Ring There is No Body to Batter When Your Mind Is Your Might So When You Go Solo, You Hold Your Own Hand and Remember That Depth Is the Greatest of Heights and If You Know Where You Stand, Then You’ll Know Where to Land and If You Fall It Won’t Matter, Cuz You Know That You’re Right. Afgekort dus When The Pawn… telt tien nummers en gaan hoofdzakelijk over pijn. Apple zingt en speelt piano op alle nummers en is wat mij betreft, en misschien ook wel voor anderen, te vergelijken met Tori Amos. Apple geeft iets luchtigs aan haar persoonlijke weltschmertz, en toch is ze doodserieus. Ze lijkt vergevingsgezind te zijn, maar wil ook wraak. Ze wil genoegdoening. Maar ze is ook breekbaar. Ze staat boven alles. Ze observeert. Er zit een diepe en rijke overtuigingskracht in haar teksten en de muziek zelf is soms complex. Misschien iets te veel zelfdestructie? Levenslust? Geweldadig? You wanna make me sick, you wanna lick my wounds, don’t you, baby? zingt ze op Limp. Op Paper Bag lijkt ze al haar frustraties van zich af te zingen (met mooi blazerwerk). Op Fast As You Can zingt ze I may be soft in your palm but i’ll soon grow. Met deze vrouw moet je dus geen ruzie maken. Sommige nummers zijn kleine meesterwerkjes. Het klinkt fris. Soms hoor je jazz achtige arrangementen, soms hoor je rock, maar meestal pop. Op het tiende nummer I Know speelt Jim Keltner drums. Op The Way Things Are klinkt ze een beetje als Alanis Morissette. In 1999 was Apple pas tweeentwintig jaar. Verbazingwekkend voor iemand met zo veel diepgang en lef om zo emotioneel over van alles en nog wat te zingen. Dit album overtuid absoluut.

Blue Magic – Message From The Magic (1978)

Meest bekende nummers van Blue Magic waren Sideshow, Spell en Three Ring Circus. Dit waren grote hits. Ontstaan vanuit The Delfonics, Shades of Love en The Toppics, was Blue Magic een van de eerste groepen die producer Norman Harris (oprichter van MFSB en bekend van The Trammps, First Choice, The Dells en The Four Tops) onder zijn hoede nam, en bestond uit Vernon Sawyer, Wendell Sawyer en Richard Pratt. Waren sterk verbonden met het Atco label. Dromerige muziek gecombineerd met smooth ballads. De populariteit van de groep werd een stuk minder toen disco op kwam zetten. Hun debuutalbum Blue Magic is een van de beste Philadelphia soul albums die er is uitgebracht. Message From The Magic komt echter uit hun nadagen, nadat de Sawyer broers Blue Magic al hadden verlaten. Niet opgenomen in Philly, en zonder de MFSB sessie muzikanten maar in Los Angeles en geproduceerd door Skip Scarborough (Earth, Wind & Fire, The Emotions, Mother’s Finest), en met sessie muzikanten uit Los Angeles en leden van Earth, Wind & Fire. Er staan dan wel geen klassiekers op, maar deze muziek is goed om aan te horen. Mooie sfeervolle soul nummers uit Philli. De meeste nummers zijn geschreven door de Blue Magic leden zelf, zoals Still in Love with You, Sweet Woman, Message, Can’t Get You off My Mind, If You Want Me To en Purple Passion, maar ook een paar mede door Philip Bailey met I Waited en Four Leaf Clover, en een nummer door Scarborough Lady in My World of Love. De nummers hebben dan wel een groot Earth, Wind & Fire gehalte, maar geeft nog wel dat typische Southern Philadelphia soul gevoel.

Take 6 – He Is Christmas (1991)

Take 6 is een Amerikaanse acapella gospel zanggroep uit Huntsville, Alabama. Werden bekend nadat ze hadden meegedaan op een album uit 1989 van Quincy Jones. De groep werd opgericht door Claude McKnight in 1980. Maar het duurde pas tot 1988 toen hun debuut album uitkwam. He is Christmas komt uit 1991, en is hun derde album. Er wordt haast geen instrument op bespeeld (behalve op God Rest Ye Merry Gentlemen). Dit kerstalbum bevat ook weer de bekende kerstliedjes, met een paar uitzonderingen Oh! He is Christmas, Amen en Twas da Nite . Het moet worden gezegd dat deze mensen prachtig kunnen zingen. Hun stemmen passen mooi bij elkaar. Het is allemaal prachtig uitgevoerd, dat je er wel voor moet vallen. Silent Night is zelfs een van de mooiste uitvoeringen van dit nummer dat ik persoonlijk ken. Het doet denken aan andere jazz groepen als Lambert Hendricks & Ross, The Anita Kerr Singers en The Swingle Singers. Maar het is geen jazz. Misschien christelijk jazz? Als dat al bestaat? Het probleem met dit album zijn de keuzes van de nummers, wat het allemaal jammer genoeg weer niet zo bijzonder maakt. Een uitzondering is dan weer wel Sweet Little Jesus Boy (ook wel bekend van Mahalia Jackson) Take 6 maakt het samenzingen tot een soort kunstwerk. Dat zeer geschikt is voor de ochtend na de eerste kerstdag, om het kerstgevoel vast te blijven houden. En dat bedoel ik als een compliment.

Rene and his Alligators – In The Mood (1999)

Is een verzamelalbum van nummers uit de jaren zestig. Deze Haagse band is best wel belangrijk geweest, en dat niet alleen voor Den Haag, maar voor de hele Nederlandse muziekgeschiedenis. Al in 1959 opgericht. Hebben in de vroege jaren zestig al een aantal formatiewijzingen achter de rug. Instrumentale Rock and Roll, Indorock, te vergelijken met The Ventures, The Shadows, The Crickets en The Champs. Komen uit een tijd toen andere bands zoals The Astronauts, The Black Albino’s, The Explosions, The Mystics en The The Jumping Jewels, in Nederland actief waren. Grote man achter Rene and his Alligators was Rene Nodelijk. Er staan zesentwintig nummers op deze verzameling. Met een paar eigen nummers van Nodelijk zelf, zoals Gipsy Rock, The Alligator’s Dance, Let’s Do the Slop, en Laughing In The Rain. Maar ook een paar nummers die hij samen heeft geschreven met bandlid Rudie Schoonewelle, zoals She Broke My Heart, I Can Wait en Quite A Lot Of Things (in een andere stijl meer Nederbeat), en een aantal traditionals die hij bewerkt heeft, zoals Two Guitars en Black Swan. Nodelijk was een uitstekende gitarist dat je mooi kunt horen op Sweet Georgia Brown (Django Reinhardt, Bing Crosby, Carol Burnett, Mel Brooks, The Beatles). Die man was niet voor niets een voorbeeld voor veel andere muzikanten uit die tijd, zoals Eelco Gelling en ook Cesar Zuiderwijk, die zelfs drumles van hem heeft gehad. Ook is Telstar van The Ventures (Joe Meek) is te beluisteren, Wham van Lonnie Mack en Theme From “Limelight” van Charlie Chaplin. Als je de geschiedenis van de Nederlandse populaire muziek wil begrijpen, moet je met dit soort bandjes beginnen. Nodelijk is een van de belangrijkste nederlandse gitaristen, en is in 2020 nog steeds met van alles en nog wat actief. Een ware inspiratiebron.

Ringo Starr – The Christmas Collection (2003)

Ja, ook Richard Starkey heeft een kerstalbum gemaakt. Maar dat was bepaald niet succesvol. Maar dat zijn de meeste kerstalbums. Vaak hoor je steeds weer opnieuw dezelfde afgezaagde nummers te horen. Ook Ringo Starr heeft toegegeven aan het nut en de noodzaak van het uitbrengen van dit soort nummers. Ookspronkelijk in 1999 uitgebracht als I Wanna Be Santa Claus, en later opnieuw uitgebracht als The Best of Ringo Starr/The Christmas Collection. Er staan een paar klassiekers op en een aantal eigen nummers, geschreven door Starkey en producer Mark Hudson (mede-schrijver van o.a. Aerosmith’s Livin’ on the Edge) Maar meteen met Come On Christmas, Christmas Come On, wat een groot Slade gehalte heeft, hebben we een van de betere nummers meteen al gehad. Maar het doet wel erg denken aan Merry Xmas Everybody. Een aantal traditionele kerstnummers zijn soms een beetje flauw uitgevoerd. De eigen nummers hebben soms wel wat. I Wanna be Santa Claus, met Timothy B. Smith (ook Joe Perry en Jeff Lynne zijn op dit album te bewonderen) in een achtergrondkoortje, is welliswaar sentimenteel maar waarme je beslist wil meezingen. The Little Drummer Boy is echter te flauw voor woorden, net als Rudolph the Red-Nosed Reindeer, Blue Christmas en White Christmas (al moet gezegd worden dat deze uitvoering wel weer enigszins origineel is), zijn ontelbare keren door andere artiesten uitgevoerd. Verplichte kost heeft Starr waarschijnlijk gedacht. Christmas Eve is wel weer door Starkey en Hudson zelf geschreven, maar dit nummer geeft niet bepaald een echt kerstgevoel. The Christmas Dance doet wel weer verbazen. Dit had een Beatles nummer kunnen zijn, en klinkt wel overtuigend. Het kan zomaar een kerstklassieker worden. Net als het Beatles nummer zelf Christmas Time (Is Here Again), door de Fab Four al in 1967 uitgebracht. Dear Santa, mag ook met de eer strijken om een goed kerstliedje te zijn: het is breekbaar en mooi. Het is voor alle mensen voor wie de kerstman nooit zal komen opdagen. Het vertegenwoordigd ijdele hoop, smachtend verlangen en verloren dromen. En tenslotte het laatste nummer Pax Um Biscum (Peace Be With You) had zomaar op Sgt. Peppers kunnen staan. Op Ringo Starr’s enthousiasme kun je nooit kwaad worden. En je weet wat je krijgt.

Franco Battiato – Pollution (1972)

Zanger, componist, regisseur en schilder. Was Minister van Toerisme, Sport, Cultuur van de regio Sicillie. Heeft meegedaan aan het Eurovisie Song Festival in 1982. Maar bracht tien jaar eerder Pollution uit, wat zijn vijfde album was (zijn debuutalbum E Piu’ Ti Amo stamt uit 1965). Was in die periode buiten Italie meer succesvol dan in Italie zelf. Heeft een lange carriere achter de rug, maar is inmiddels vanaf 2019 gestopt met optredens. Maakte in de jaren zeventig met dit album vooral Progressive Rock. Als je van dit genre houdt (en dat doe ik) is dit album een openbaring, Maar helaas duurd Pollution maar erg kort want Pollution heeft maar zeven nummers, en duurd nog geen tweeendertig minuten. Het openings nummer Il Silenzio Del Rumore zet je in het begin een beetje op het verkeerde been (met een Johan Strauss achtige deuntje) maar doet daarna al snel aan Ash Ra Tempel denken. Het is experimentele muziek wat menig Prog Rock en Psychedelic liefhebber interresant zal vinden. Areknames is een sterk aangezet synthesizer nummer, en lijkt eerst nog een soundtrack te zijn van een Amerikaanse B-film, maar dat veranderd snel in een schitterend voorbeeld van wat je met de VCS3 Synthesizer allemaal kan doen. Op Beta lijkt de gekte en het surrealisme toegeslagen te hebben, waar je Syd Barrett en Pink Floyd uit hun begintijd terughoord: uitermate psychedelische muziek. Plancton is ook zo’n interessant nummer, met lekkere dik aangezette synthezisers. Pollution is even doorbijten. Je hoort de zee, maar daarna hoor je echte psychedelica, met een mooi achtergrondkoortje. De muziek past mooi bij films van Antonioni, Pasolini, Fellini en Leone. Op een gegeven moment hoor je een gitaarsolo waar zelfs Mike Oldfield zich niet voor zou schamen. Het laatste nummer Ti sei mai chiesto quale funzione hai? is voor mijn gevoel een beetje te experimenteel, Je vraagt je af of dit nu kunst is (het ruisen van de zee, een huilende man) of goedkoop sentimenteel gedoe. Maar Pollution als geheel is een zeer geslaagd album.

Helloween – Keeper Of The Seven Keys: The Legacy (2005)

Duitse Power Metal band uit Hamburg. Elfde album alweer. Uitgebracht als dubbelalbum op het Steamhammer label, met meer dan tachtig minuten aan muziek. De geschiedenis van de Seven Keys albums gaat helemaal terug naar 1987. De eerste twee van deze albums kwamen uit in ’87 en ’88, dit is de derde album in die reeks. Dit album is genietbaar als een soort luisterboek. Met af en toe een sterk hoogtepunt, zoals een duet met Candice Night (de vrouw van Richie Blackmore en de zangeres van Blackmore’s Night) op het nummer Light the Universe (dat met een klein afstandje doet denken aan Nick Cave met Kylie Minogue met Where The Wild Roses Grow en The Poques met Kirsty MacColl met Fairytale of New York). Dit is Power Metal waar de cliches niet helemaal op de voorgrond staan, het neigt soms een beetje naar Progressive Metal. Er zitten genoeg rustige stukken tussen die een bijdrage leveren aan het geheel. Zanger Andi Deris doet zijn best om hoog en fel te zingen, maar soms doet hij ook zijn best, zoals op Mrs. God om met een lage stem een soort Musical achtige sfeer op te roepen. Het vijftien minuten durende openingsnummer The King for a 1000 Years zet meteen de toon, harde en snelle Power Metal. Net als het tweede nummer The Invisible Man, en gaat het op sommige stukken snel, sneller, snelst; afgewisseld met een overtuigende ingetogen stem van de zanger. Op Born on Judgment Day zit een mooi gevecht tussen de drummer, de bassist en de gitarist, en is ook een van de hoogtepunten van het album. Met het zevende nummer Occasion Avenue zit zelfs enige diepgang. Goede gitaar riffs, opera achtige achtergrondstemmen. Zelfs de wat mindere nummers, die een beetje vervelen, hebben goede momenten. Daarom is het een evenwichtig album. Een van de betere Power Metal albums in mijn verzameling, met vooral een goede gitarist.

The Cars – Heartbeat City (1984)

Op Heartbeat City bestaan The Cars uit Ric Ocasek, Benjamin Orr, Elliot Easton, Greg Hawkes en David Robinson (ook bekend van The Modern Lovers). Maar drijvende kracht achter The Cars was Ocasek. In 1988 zijn The Cars uit elkaar gegaan, maar hebben in 2011 nog een album gemaakt (zonder Benjamin Orr overigens), als een soort toetje. Hebben in totaal tien albums uitgebracht. Heartbeat City komt uit 1984. Alle nummers zijn geschreven door Ric Ocasek, behalve It’s Not The Night, dat hij samen met Greg Hawkes, de keyboardist heeft geschreven. Er zijn van dit best wel verfrissende album vijf singles uitgebracht, waarvan You Might Think en Drive de bekendste zijn. Drive is een prachtig mooi liedje, dat volkomen afwijkt van de rest van het gebodene, en een van de drie nummers is waarop Benjamin Orr de zangpartijen voor zijn rekening neemt. Het is meteen ook een van de meest aanprekelijke nummers van het hele album, wat niet wil zeggen dat al die andere nummers slecht zijn. You Might Think is ook een aardig nummer. En het laatste nummer, het titelnummer, Heartbeat City, heeft een heerlijk bedwelmende sound. Het is mijn tweede favoriete nummer van dit album. Heartbeat City leunt zwaar op synthesizers en drumcomputers, maar het is allemaal met smaak gedaan. Sommige jaren tachtig muziek zal je altijd bij blijven, mede eigenlijk ook door de video van Drive (de video van You Might Think werd door MTV zelfs uitgeroepen als beste video op hun allereerste MTV Video Music Awards van 1984) dat veel airplay op MTV kreeg toendertijd. En het moet worden gezegd ook de video van dit nummer, is net als de muziek hartverscheurend mooi. Zowel Ocasek als Benjamin Orr zijn inmiddels overleden.

Jean-Michel Jarre – Oxygene (1976)

Het is moeilijk voor te stellen dat toen in Groot-Brittannie de Punk revolutie uitgebroken was, dit album uitkwam. Geen maatschappij kritische muziek, nummers zonder titels, instrumentaal, en alles met alleen maar synthesizers. Muziek zonder hart en zonder ziel. Recencenten waren in 1976 niet bepaald lovend over dit album van Jarre. Toch, als je er tegenwoordig naar luisterd, moet je constateren dat het allemaal knap in elkaar zit. De zes nummers die Part 1, Part 2, Part 3, Part 4, Part 5 en Part 6 heten, geven je werelden te ontdekken. Je moet er een aantal keren naar luisteren wil je het grotere verband zien. Op Part 1 is nog geen ritme te horen, hoor je esoterische klanken. Het is het begin van een spirituele reis door de kosmos. Op Part 2 hoor je opeens een ritmisch kloppend ondefinieerbaar levend organisme, gaat de reis verder, en hoor je schietende lasers afgevuurd worden. Langzaam begin je de schoonheid in deze muziek te horen. Dit is een complete space trip! In Part 3 voel je dat je dieper de ruimte word ingeslingerd, je verkent ongelofelijke werelden. Tijd is niet belangrijk meer. Je bereid je voor op het onmogelijke. En plotseling hoor je vogeltjes. Je ziet de oceaan, en plotseling is het daar. Het bekendste nummer van Oxygene, Part 4. Dit nummer was zelfs een hit. Bij Part 5 begin je te dromen, keer je terug naar je eigen verleden, vind je de rust om alles te overzien, is het haast een kerkelijke sacrale belevenis. Er zit spanning in, enige diepgang zelfs. Op Part 6 hoor je de golven breken op rotsachtige formaties, en zie je plotseling in vogelvlucht de wereld onder je voorbij vliegen. Je ziet alles vanaf een grote hoogte en je begrijpt plotseling hoe alles in het leven in elkaar grijpt. Je hoort muziek waarvoor een gemiddelde DJ tegenwoordig direct zou tekenen. Jean Michel Jarre was zijn tijd ver vooruit. Hoewel je het in perspectief moet zien klinkt Oxygene in 2020 nog steeds modern.

The Chemical Brothers – Dig Your Own Hole (1997)

Dit album is de hemel ingeprezen. Staat op een hoop lijstjes van beste albums ooit. Dig Your Own Hole klinkt dan ook verfrissend, levendig, avontuurlijk en spannend. Als een pompend hart dat het bloed laat stromen, met steeds weer een nieuwe injectie om energie op te doen. Block Rockin’ Beats om je aan de gang te laten houden, en Dig Your Own Hole om uiteindelijk de Setting Sun te kunnen zien. De meeste nummers op dit album lopen in elkaar over, en dat geeft een mooie luisterervaring. Tom Rowlands en Ed Simons zijn de grote tovenaars van dit Big Beat avontuur. Het klinkt allemaal alsof je door een betoverend landschap loopt, dat dreigend kan zijn maar ook sprookjesachtig. Elektrobank bijvoorbeeld klinkt nogal duister, haast psychedelisch, maar het geeft je onvoorwaardelijk de kracht om door te blijven lopen. Piku geeft je dan weer wat rust om op adem te komen. Vervolgens komt Setting Sun om de hoek kijken, en begin je te rennen. Samen met Noel Gallagher, die op dit nummer zingt “I’ll tell you that it’s just too bad“, en dat geeft je zelfs extra kracht om verder door te gaan. Ook op sample gebied stellen The Brothers niet teleur met It Doesn’t Matter (It Comes on Anyhow van Lothar and the Hand People), en dat nummer klinkt dan weer iets minder spannend. Maar nog steeds onverschrokken en stoutmoedig verder lopend, komt daar dan weer Don’t Stop de Rock, en ga je zelfs snelwandelend door naar weer een nieuw hoogtepunt. Met geen tijd om om je heen te kijken, laat je je zelf niet afleiden en blijft je blik gefocust. Get Up On It like This. Ja, inderdaad! (ook een sample van niemand minder dan van Quincy Jones). Maar opeens ben je verdwaald in Lost in the K-Hole, maar zie je alles in perspectief. Door Where Do I Begin, gezongen door Beth Orton, kom je tot de ontdekking dat je rondjes gelopen hebt. En met The Private Psychedelic Reel kom je er achter dat je dit landschap nooit meer weer verlaten. Dig Your Own Hole is inderdaad een magische reis.

Daft Punk – Homework (1997)

Homework is het debuut album van dit Franse duo. Het bevat de hits Around the World, Da Funk, Burnin’ en Revolution 909. Daft Punk werd in 1997 met dit album gezien als vernieuwend in de Dance. Thomas Bangalter en Guy-Manuel de Homem-Christo, de twee jongens van Daft Punk, hebben dit album zelf geproduceerd. Deze muziek zit qua productie best wel knap in elkaar. Als je er vaak naar luisterd hoor je toch steeds weer andere dingen, maar niet zozeer dat dat ook muzikaal goede dingen zijn. Er is natuurlijk wel gebruikt gemaakt van een paar samples (o.a. Kriss Kross, Billy Joel, Elton John, The Bar Kays, Karen Young, Barry White en Donna Summer). Er staan een paar ronduit irritante nummers op, zoals Rollin’ and Scratching, Teachers, High Fidelity, die niet bepaald aan mij besteed zijn, en waar ik het nut en de noodzaak niet zo goed van in zie. Rock’n Roll, Oh Yeah en Burnin’ klinken zelfs als irritante muggen, met Burnin’ als de de grootste en meest irritante mug, die je onmiddelijk dood wil slaan. En Da Funk en Funk Ad zijn de dezelfde nummers. In het Electronic Music genre is dit een klassiek album, absoluut. Maar in mijn beleving en voorstellingsvermogen zou je, als je tegenwoordig een avondje uit bent geweest (als deze muziek tenminste tegenwoordig nog gedraaid zou worden) toch liever s’avonds thuis weer behoefte hebben aan wat Blues muziek. Mijn oordeel is dat alleen Daftendirekt, Revolution 909, Da Funk, Fresh, Around the World, Indo Silver Club en Alive op dit zestien nummers tellende album, de moeite waard zijn. Al met al is het mij een beetje te repeterend.

Mariachi Sol – Viva Mexico (2012)

Mariachi Sol de Mexico, of eigenlijk Mariachi Sol de America, een Mexicaans Mariachi orkest, ooit opgericht door Jose Hernandez in 1981, blijkt als je hier voor het eerst naar luisterd bij de eerste nummers, helaas een beetje James Last en Andre Rieu achtige muziek uit Mexico te zijn. En moet je ook denken aan The Polka King, de film met Jack Black en The Three Amigos met Chevy Chase, Steve Martin en Martin Short. Het is echter onbekend of Mariachi Sol hetzelfde orkest is als Mariachi Sol de Mexico. Mariachi Sol wordt op dit album geleid door Hugo Huesca en Margarita Bauche. Wel is er een Hernandez terug te vinden in de credits van dit album, namelijk Margin Hernandez, als coordinator en vertegenwoordiger. Het is onbekend of deze persoon ook familie is, maar waarschijnlijk wel. Maar ik kan me vergissen. Ik heb helaas weinig verstand van Mariachi muziek. Na een aantal keren naar dit album geluisterd te hebben, springen sommige nummers er toch wel uit. El Jarabe Tapatio, Cielo Rojo (zang Margarita Bauche), een mooie versie van La Bamba, (en ik moet eerlijk erkennen dat ik deze versie mooier vind dan die ik van Los Lobos ken), La Vieja (mooi harp werk van Hugo Huesca), Las Alazanas (mooi viool werk ook van Huesca), El Gavilan Tamaulipeco (een van de betere nummers), El Pajaro Carpintero, Cu Cu Rru Cu Cu Paloma, La Iguana, en het laatste nummer Guadalajara. Eindconclusie: na een paar keer luisteren ontdek je toch wel de schoonheid van deze muziek. Elk Mexicaans restaurant in Nederland behoort live Mariachi muziek ten gehore te brengen. Met die prachtige Mexicaanse pakken, die grote hoeden en uitstekende muzikanten, wordt elke maaltijd stukken lekkerder. Mariachi is prachtige muziek.

Rhapsody – Dawn Of Victory (2000)

Als je je fantasie wil laten prikkelen, dan zit je bij Rhapsody wel goed. Deze Italiaanse band uit Triest, verteld met Dawn Of Victory een verhaal over een mythische wereld, over goed en slecht, in een Lord of The Rings, Conan the Barbarian en Red Sonja achtige setting. Bombastisch? Dawn Of Victory is het derde album van deze Symfonische Power Metal band, met als belangrijkste leden Luca Turilli en Alex Staropoli, verantwoordelijk voor de muziek en de teksten. Het verhaal, Algalord and The Emerald Sword Saga, bestaat uit tien nummers Lux Triumphans, Dawn of Victory, Triumph for My Magic Steel, The Village of Dwarves, Dargor Shadowlord of the Black Mountain, The Bloody Rage of the Titans, Holy Thunderforce, Trolls in the Dark, The Last Winged Unicorn, The Mighty Ride of the Firelord, en gaan dan ook voornamelijk over helden, zwaarden, draken, krijgers, duistere krachten, demonen, bloed, en inderdaad over eenhoorns en trollen. Muzikaal gaat alles met duizelingwekkende tempoversnellingen en jankende gitaren, van gitarist Luca Turilli en drummer Alex Holzwarth, die op dit album nieuw is, en met gebruik van veel koorwerk. De zang van Fabio Lione is soms over de top. Muzikaal is het soms interessant, maar vaak heb je het gevoel dat sneller niet altijd beter is. Alles is nogal vermoeiend. Beste nummers zijn Trolls in the Dark en het openingsnummer Lux Triumphans. Voor de rest is deze opera achtige Metal nogal geforceerd. In muzikaal opzicht is dit geen duistere Metal, maar is dit Metal dat gaat over duisternis. En soms heb je het idee dat het zelfs helemaal geen Metal is. Alsof je naar Andre Rieu zit te luisteren.

The Toasters – Dub 56 (1994)

The Toasters timmerden al een tijdje aan de weg toen Dub 56 in 1994 uitkwam. Dub 56 was hun vijfde album. Ze behoorden bij de Third Wave Ska, zoals bands als Fishbone, No Doubt en The Mighty Mighty Bostones. Al in 1981 opgericht, hadden ze een connectie met Joe Jackson, die een aantal keren met hen had samengewerkt. Opgericht door de Brit Robert Hingley, nadat hij een keer een concert van The Beat bezocht had, bevat Dub 56 muziek dat zeer geschikt is voor een feestje. Vrolijke nummers met onvervalste Ska, maar die soms net iets anders klinken, wil je het vergelijken met Ska uit de jaren tachtig. Maar misschien komt dat omdat dit de Amerikaanse variant is, met meer een Rhythm & Blues achtige benadering. Maar niettemin uitstekende muziek. Er staan zelfs een paar covers op zoals Tunisia van Dizzy Gillespie, en Midnight Hour (Pickett, Cropper). De Ska variant van Tunesia swingt de pan uit. Marlboro Man en Ain’t Nuthin’ zijn ook een paar van de betere nummers en doen je een beetje denken aan de 2 Tone Ska uit de jaren tachtig van The Selector, The Beat en The Specials. Het tweede gedeelte van Dub 56 is zowieso beter dan het eerste. Misschien komt dat omdat je constant zit te denken dat je naar een concert zit te luisteren, en raken de bandleden steeds beter op elkaar ingespeeld. Dat is namelijk de kracht van dit album. Je denkt bij sommige nummers zelfs dat je op Jamaica terecht bent gekomen (Lester Sterling van The Skatalites doet op twee nummers mee). Ook al zijn dat soms vluchtige gedachten. Beste nummers zijn Legal Shot, Tunisia en Midnight Hour. Waarvan twee covers. Dat wel.

The Art of Noise – In Visible Silence (1986)

Synth Pop groep uit Londen, of eigenlijk beter gezegd, een uit de hand gelopen productie project dat aardig succesvol is gebleken. The Art of Noise bestaat uit programmeur J.J. Jeczalic. arrangeur Anne Dudley en engineer Gary Langan. Alle drie zijn behoorlijk actief geweest in de muziekindustrie. Anne Dudley was betrokken bij onder andere Lloyd Cole and the Commotions, Frankie Goes to Hollywood, Annie Lenox, Malcolm McLaren, George Michael en Wham. Gary Langan heeft als engineer en producer gewerkt op Queen’s A Night At The Opera, A Day At The Races en News Of The World, op het 90125 album van Yes, en heeft samen met Trevor Horn het ZTT Label (Frankie Goes To Hollywood) opgericht. Jeczalic heeft met zijn Fairlights op tal van albums gewerkt van bijvoorbeeld Frankie Goes To Hollywood, Pet Shop Boys, Yes en Scritti Politti. Alle drie waren samen met Trevor Horn betrokken bij het ABC album The Lexicon of Love. In Visible Silence is een beetje een album voor stereofielen. Op het moment dat het uitkwam was het uiterst origineel. Het zit vol met geluidseffecten: met blimpjes, blumbjes, plofjes en belletjes, allemaal gecreerd met de Fairlight Synthesizer. Veel samples ook van bijvoorbeeld Chic, Asia, 10cc en Scritti Politti. In Visible Silence bevat twaalf nummers. Meest opvallende zijn Opus 4, Paranoimia, Chameleon’s Dish, en natuurlijk Peter Gunn (Henry Mancini) met op gitaar Duane Eddy, die daar zelf ook een hit mee had in 1959. De video van Peter Gunn is een van de meest opvallende videos die ooit gemaakt is, en is veel op MTV te zien geweest toen MTV in de jaren tachtig nog MTV was. Rick Mayal speelde daarin een opvallende rol. In Visible Silence is nog steeds de moeite waard om te beluisteren. Vooral met de volumeknop op 10.

Front 242 – Front By Front (1988)

Front By Front is het vierde album van deze jongens uit Belgie. Waren toonaangevend in het genre. Elektro Industrial. Het klinkt allemaal nogal onheilspellend. Doet denken aan Depeche Mode uit dezelfde periode van de jaren tachtig, maar dan veel donkerder van toon. Van de tien nummers wordt je bepaald niet vrolijk. Er ligt een constante dreiging in de muziek. Een bepaalde uitzichtloosheid waar geen ontsnappen aan is. Circling Overland, Im Rhythmus Bleiben, Felines, First In/First Out. Alles dik aangezet met lagen van synthesizers, drums en beats. Onheil en doem? Profetisch? Nihilisch? Welkom tussen de betonblokken van de deprimerende jaren tachtig, waar de uitzichtloosheid, de naargeestige worsteling om naar boven te komen, vaak alleen maar mislukte. De jaren tachtig waren soms niet leuk. Veel werkeloosheid. Maar Front By Front bracht verlichting. De band was zonder twijfel misschien wel de beste in het genre. Front By Front is apocalyptisch. Het probleem alleen is dat je er snel genoeg van krijgt en dat de eentonigheid snel gaat vervelen. Het bied geen hoop. Maar lijkt alleen in een staat van machteloosheid te willen verkeren, waaraan je niet wilt ontsnappen. Doelloos of niet? Jean-Luc de Meyer, de zanger van de band, geeft op Front By Front duidelijk aan dat de band wel degelijk een boodschap heeft: blijf zitten waar je zit en verroer je niet!

Lucio Dalla – Automobili (1976)

Automobili is een concept album en gaat over auto’s: over het verleden, het heden en de toekomst van de auto. Het is tekstueel soms een beetje kritisch, maar is vooral een eerbetoon aan dit vervoersmiddel (Dalla had klaarblijkelijk iets met auto’s en heeft zelfs een nummer uitgebracht over Ayrton Senna). Automobili is een vervolg op het theaterstuk Il Futuro dell’ automobile e alter storie. Lucio Dalla heeft meer dan twintig albums op zijn naam staan. Hij was in Italie een van de belangrijkste en populairste zangers, componisten en singer-songwriters van de jaren zeventig en tachtig. Hij was onder andere de componist van Caruso (o.a. vertolkt door Bocelli en Pavarotti). De teksten op Automobili zijn geschreven door dichter Roberto Roversi (heeft Dalla drie albums mee samen gemaakt), maar door verschillende omstandigheden en problemen, hebben Dalla en Roversi de teksten onder het pseudoniem Norisso laten uitbrengen. Dit was het laatste album dat ze samen hebben gewerkt. Dalla speelt op dit album ook clarinet, piano en saxofoon, samen met muzikanten die ook later als zijn begeleidingsband zouden dienen. Dit album bevat zes nummers en duurt maar tweeendertig minuten. Een beetje kort. Intervista Con L’avvocato (gaat over de Fiat eigenaar Gianni Agnelli), Mille Miglia (over de endurancerace die in Italie 24 keer is georganiseerd), Nuvolari (gaat over de autocoureur Tazio Nuvolari), L’ingorgo, Il Motore del 2000 en Due Ragazzi. Al deze nummers heeben een hoog emotioneel gehalte. Dalla legt veel passie in zijn stem. Is intens en krachtig en toch op een bepaalde manier rustgevend om naar te luisteren. Maar de vraag of dit nu Pop of Rock is, is soms moeilijk om te beantwoorden. Ik hou het maar op Progressieve Pop.

Troka – Smash (1999)

Afkomstig uit Finland, uit Kaustinen. Troka is een vijftal dat muziek maakt dat gebasseerd is op traditionele muziek, een soort Folk, maar dat het eigenlijk net niet helemaal is. Folk Pop is wellicht een juiste omschrijving. Met gebruik van viola, viool, accordion, harmonium, piano en bas. En alles instrumentaal. Waar je soms vrolijk van wordt. Sommige nummers zouden zo maar gebruikt kunnen worden bij scenes in Lord of the Rings, waar de dwergen bier drinken en gezellig met elkaar dansen. Misschien soms ook een beetje te flegmatisch en gaat het soms wat vervelen; langdradig misschien ook. Misschien af en toe meer geschikt voor achtergrondmuziek in documentaires. Door het gebruik van de accordion lijkt het een soort cross-over te zijn met Tango en ook wel met Polka, maar dat is het toch niet helemaal. Uitgebracht door het Kansanmusiikki-instituutti, een Fins instituut gespecialiseerd in Finse Folk muziek, bestaat Smash uit dertien nummers die je meenemen naar denkbare landschappen van groene bossen, naar zomerse nachten, verliefde stelletjes, kleine Finse dorpjes waar de bewoners in klederdracht dansen met veel plezier, en naar watervallen. Rinkitanssi, Kirsin ja Villen haavalssi, Aika, Kesaillan Tvist en Proge-Oska. Het is moeilijk om al deze nummers in een bepaalde stijl en genre te plaatsen. Het is te lichtvoetig om dit echte Folk te noemen, daarvoor mist het toch een bepaalde diepgang. Neemt niet weg dat het wel mooie muziek is. Een voorbeeld daarvan is het laatste nummer, Angstkarsmenuett, dat muzikaal een soort dans tussen een accordion en een viool is: een romantische vertolking van deze verder absoluut goede muzikanten.

Royal Hunt – Paradox (1997)

Royal Hunt schijnt nog wel eens van bezetting te veranderen. Op dit album, een concept album, uit 1997, bestaat Royal Hunt uit D.C. Cooper, Andre Andersen, Steen Mogensen, Jacob Kjear en Allan Sorensen. Paradox is Deense, lekker in het gehoor liggende bombastische Metal, in al zijn glorie. Misschien is het beter om te zeggen, een combinatie tussen Progressive Metal en Power Metal, met de nadruk op Progressive. Het klinkt allemaal erg goed. Regelmatig melodieus, een krachtige stem van D.C. Cooper, mooi verzorgde achtergrond koortjes, en eigenlijk geen moment clichematig. Dit album bestaat uit acht nummers. Het tweede nummer, River of Pain, heeft een ELP achtige keyboardpartij. Message to God klinkt een beetje als Saga, met een mooie gitaarsolo. Long Way Home klinkt als Progressieve Rock uit de jaren zeventig. Je hoort een fluit en je moet toch even aan Peter Gabriel van Genesis denken. Maar dat gevoel ebt toch weer snel weg. Time Will Tell is het beste nummer van het album. Spannend, lekker vet, afwisselend, snel en langzaam, en met een kop en een staart. Heb geen moment het idee dat deze jongens overdrijven. Het is allemaal dan toch niet de beste Deense Metal die je krijgt te horen, laat staan Scandinavische Metal; toch zit het allemaal goed in elkaar. Je bent geneigd te zeggen dat Royal Hunt een majestueus album heeft afgeleverd. Maar waar Queen, om toch maar een voorbeeld te noemen als we het over Koninklijk hebben, in hun beste dagen op de troon zat, in de mooiste zaal in het allermooiste paleis op aarde: zit Royal Hunt in de kerkers van datzelfde paleis, jagend op hun troon. Om die te kunnen bemachtigen zal ze dan weer niet lukken. En toch is het een goed album.

Him – Greatest Lovesongs Vol. 666 (1997)

Het is nogal wat. De grootste liefdesliedjes aan de wereld willen verkondigen. Je eigen muziek Love Metal noemen. Geen pentagram als logo hebben maar een heartagram. Verbeter de wereld met liefde. Een mooi streven. Maar natuurlijk onzin. De mooiste liefdesliedjes waren al geschreven lang voor 1997. En als je dat in het Metal genre doet moet je toch een beetje achterdochtig worden. Maar het is natuurlijk allemaal maar een grapje. Natuurlijk vooral als je het ook nog eens aflevering 666 noemt? Maakt verder ook allemaal niet uit. Soms is het maar een spelletje, soms eerlijk en soms oneerlijk. En ook als je er een Wicked Game van maakt, moet je uitkijken. Deze cover van Chris Isaak is een van de betere nummers, eigenlijk, samen met (Don’t Fear) The Reaper, een cover van Blue Oyster Cult. Het grootste gedeelte van dit album is een melancholische levensdrift naar een perfecte wereld waar de liefde regeert, met een gothische zwarte, donkere en duistere ondertoon. Het album bestaat uit negen nummers, met een paar uitzonderingen daargelaten, die muzikaal een beetje voorspelbaar en saai zijn. De boodschap doet een beetje denken aan de Rattenvanger van Hamelen. Maar dan natuurlijk niet door een fluitspeler, maar door af en toe snerpende gitaren. Him wil iedereeen tevreden stellen. H.I.M. is in feite een afkorting van His Infernal Mayesty, een referentie naar Anton LaVey’s Satanische Bijbel. Zullen al die liefdesliedjes dan toch een truukje zijn van….? Juist, als je het op die manier bekijkt is dit het meest zwartgallige Metal album dat je maar kunt bedenken. Alleen, wat de muziek betreft, heeft het ook weer weinig met Metal te maken, en is het daarvoor te melodieus.

Tangerine Dream – Electronic Meditation (1970)

Electronic Meditation is het debuutalbum van dit Berlijnse Krautrock trio, en bestaat uit Edgar Froese, Conrad Schnitzler en Klaus Schulze, met de hulp van organist Jimmy Jackson en fluitist Thomas Keyserling. Schnitzler en Schulze zouden Tangerine Dream na dit album alweer verlaten. Tangerine Dream is jaren actief geweest met allemaal verschillende bandleden. De band heeft zelfs soundtracks verzorgd (Risky Business en Legend), en is zelfs betrokken geweest bij de muziek van een aantal Video Games. Alles bij elkaar heeft deze Duitse band meer dan honderd albums uitgebracht, met Froese als enige permanente lid (met Thorsten Quaeschning als enige uitzondering die vanaf 2005 pas lid werd). Electronic Meditation bestaat uit vijf nummers, Genesis, Journey Through a Burning Brain, Cold Smoke, Ashes to Ashes en Resurrection. De psychedelische klanken die je op dit album hoort zijn geestveruimende trips naar de onderwereld van de ziel. Je kunt het een beetje omschrijven als de Duitse Pink Floyd van die tijd: het enige dat je dan misschien nog mist is de stem van Syd Barrett. Het is in ieder geval een hoop geexperimenteer en eigenlijk niet eens zozeer electronic: muziek dat Schulze jaren later zou omschrijven als voornamelijk onzin. Het album is opgenomen met een Revox tape recorder. Je hoort op bijvoorbeeld Cold Smoke een meer dan tien minuten durende gitaarpartij met Froese op zijn zes- en twaalf snarige gitaar. Schnitzler kun je cello en viool horen spelen, en Schulze speelt op dit album zelfs nog geen noot op een synthesizer. Dit album heeft zijn momenten. Journey Through a Burning Brain en Cold Smoke zijn de hoogtepunten.

Afrirampo – Kore Ga Mayaku Da (2005)

Noise Rock en Garage Rock uit Japan, met wat mij betreft de nadruk op Noise. Actief in de Osaka Underground Rock Scene, en in 2010 uit elkaar gegaan. Afrirampo is een duo en bestaat uit de dames Oni op gitaar en Pikachu op drums. En beide dames zijn geniaal. Zouden muzikaal de zusjes kunnen zijn van Yoko Ono. Er zit een bepaalde genialiteit in deze muziek dat niet te negeren is. Op het eerste gehoor zou je denken dat de complete gekte is toegeslagen. Je denkt dat je dat zelf ook allemaal kunt. Maar producer John Zorn heeft misschien de dames zelfs wel in toom moeten houden. Want alles klinkt nogal bizar. De dames schreewen en gillen nogal wat. Het meer dan dertien minuten durende openingsnummer I Did Are is een statement van absurditeit, en meteen ook het hoogtepunt van dit album, met hier en daar zelfs Zappa invloeden. Maar het lijkt te werken. Het grijpt je aan. Het is vitaal. En soms denk je hoeveel geexperimenteer kan een mens verdragen, met hier en daar een pakkende gitaarriff en wat melodie er in gepropt, is het opmerkelijk allemaal toch een samenhangend geheel. Je hoort een hoop energie. Nakimushikemushi Good Bye! hakt er bijvoorbeeld stevig in, met oerdriften van de dames die niet te temmen lijken te zijn. Het wat rustiger On Ska to Paar Ya, lijkt vergeleken met de rest zelfs een zoetzappig liedje. Maar de dames hebben dan al hun statement gemaakt. En gaan op het voorlaatste nummer Hadaka wederom helemaal los. Prachtig en majestueus. Alles in ogenschouw genomen moet je concluderen dat de dames de eer van Japan op muziek gebied moeiteloos hoog houden. Maar helaas in 2010 gestopt.

Mecano – Entre El Cielo Y El Suelo (1986)

Synth-pop uit Spanje. Het vijfde album van Mecano waarmee ze internationaal doorbraken, vooral in de Latijnse wereld, maar ook in Duitsland, Portugal en Frankrijk. Mecano bestaat uit Ana Torroja, en uit de broers Nacho en Jose Maria Cano. Mecano heeft bestaan tot 1992. Dit album bevat de hit Hijo de la Luna. Het zijn allemaal lekker in het gehoor liggende deuntjes en het kinderstemmetje van zangeres Torroja klinkt aanstekelijk. Het is lekker verpakte bubblegum muziek, voornamelijk rustend op het dominante gebruik van de syntheizer, waar de jaren tachtig, ook in Nederland, zo bol van stond. Er ligt een bepaalde zachtheid in deze muziek, een bepaalde onschuld met af en toe een scherp randje, dat dus voornamelijk komt door de onweerstaanbare stem van de zangeres. Je wilt onmiddelijk meezingen, ook al spreek en versta je geen Spaans. Maar gelukkig is muziek een internationale taal. Van de veertien nummers zijn er tien geschreven door Nacho Cano. De meeste nummers zijn allemaal romantische liefdesliedjes, zoals Angel, Hijo de la Luna, Te Busque, Me Cuesta Tanto Olvidarte en Esta es la Historia de un Amor. Een niet echt een schokkend onderwerp, maar de mooie composities en arrangementen van Entre El Cielo Y El Suelo maken het allemaal meer dan goed. Ook al heeft het verder niet veel om het lijf.

Joe Meek & The Blue Men – I Hear A New World: An Outer Space Music Fantasy (1960)

Joe Meek kan misschien nog het best herinnerd worden als de man die verantwoordelijk was voor de hit Telstar van de Tornados (Rene and his Alligators). Nu misschien vergeten, maar hij was verantwoordelijk voor meer dan zevenhonderd muziekopnames. Als pionier en als producer van space muziek en experimentele pop muziek, begin jaren zestig, was hij een belangrijke factor in de ontwikkeling van geluidsopnames: van met name overdubbing, sampling en galmeffecten. Meek had een eigen studio in Londen boven een winkel, en had een eigen platenlabel Triumh Records. Zijn opnames heeft hij later verkocht aan Top Rank en Pye Records (The Kinks). Het luisteren naar I Hear A New World: An Outer Space Music Fantasy is aandoenlijk. Oorspronkelijk als EP uitgebracht, bestaat het eigenlijk maar uit vier nummers Magnetic Field, Orbit Around The Moon, Entry of the Globbots en Valley of the Saroos. Je moet deze muziek in de tijd van toen zien. Dit album was waarschijnlijk niet echt te begrijpen. Alle opnames zijn in zijn eigen huis gemaakt: met bellenblazen in water, met behulp van rietjes, sponzen, melkflessen, en water laten weglopen uit een gootsteen. Het heeft soms iets weg van het latere Pink Floyd uit 1967, van zeven jaar later dus. The Blue Men waren eigenlijk the West Five, een Skiffle groep. Daarna zijn deze opnames verdwenen en vergeten. Pas in 1991 is het weer opnieuw uitgebracht met een hoop aanvullende nummers. Er staat ook een interview op met Meek. In 2014 is Meek door het muziekblad NME, uitgeroepen als de grootste producer aller tijden (dus nog boven George Martin en Phil Spector). Het is nogal tragisch met hem afgelopen. Hij heeft eerst zijn hospita doodgeschoten en daarna zelfmoord gepleegd. Dat laatste had Spector niet gedaan.

Elyse – Elyse (1968)

Elyse is nooit een Joan Baez geworden. Elyse is vergeten. Soms moet je geluk hebben om door te breken. Je moet de juiste connecties hebben, aan de goede touwtjes kunnen trekken. Het publiek moet de mogelijkheid krijgen en hebben om je te kunnen ontdekken. Je moet op de radio gedraaid worden, je moet in TV Shows verschijnen. Je moet een beetje hulp krijgen van collega’s. Je moet zelf ook veel doen. Je moet optreden, je moet zorgen dat je op de radio komt. Je moet hits maken. Je moet opvallen. Je moet naar festivals. Je moet deals maken. Je moet een goede manager hebben. Je moet in de muziekbladen verschijnen. Je moet in coffeehouses optreden. Je moet naar heel veel landen. Je moet in ieder geval de Verenigde Staten aan je voeten krijgen. Je moet naar Greenwich Village, naar Londen, naar John Peel, desnoods naar Top of the Pops. Je moet connecties hebben. En je moet concessies doen. Dat laatste heeft Ylyse misschien zowieso niet gedaan. Elyse is namelijk nooit doorgebroken. Ondanks dat ze een volstrekt eigen geluid heeft. Ondanks dat dit best wel goede muziek is. En ondanks Neil Young, die op dit album van Elyse Weinberg, of Cori Bishop zoals ze werkelijk heet, met gitaar op een nummer meedoet. Op Houses (eigenlijk een bonus track). En ondanks ook dat ze Joni Mitchell kende, met wie ze ook rustig vergeleken kan worden. Houses is het beste nummer van dit album. What you Call It, mooi ingetogen gezongen, alsof je James Taylor gitaar hoort spelen, is ook een van de betere stukken. Verder staat er ook nog een cover op van Bert Jansch Deed I Do. Elyse van Elyse is een bijzonder album om het een zogenaamd vergeten album is. Niemand heeft het meer over Elyse.

Adam and the Ants – Prince Charming (1981)

Hadden zich het imago aangemeten van de Sex Pistols van de New Wave: met hun indianen en piraten outfit leken The Ants tegen onrecht vechtende opstandelingen te zijn, die opkwamen voor alle misdeelden op de hele wereld. Maar het was natuurlijk allemaal gewoon bedacht om veel platen te verkopen. En zij waren uiteraard niet de enigen. De geschiedenis staat bol met dit soort voorbeelden. Zoals bijvoorbeeld de Sex Pistols. Neemt niet weg dat ze qua imago best wel origineel waren. New wave was uiteraard ook erg populair in die jaren. En Adam Ant was een opvallende verschijning. Uiterlijk waren de overeenkomsten duidelijk te zien met Duran Duran en Japan, muzikaal hadden ze meer overeenkomsten met een band als Bow Wow Wow. Hoewel dit album zelf nogal teleurstellend was vergeleken met het eerdere uitgebrachte Kings of the Wild Fronteers, staan er wel een paar aardige nummers op. Zoals Stand and Deliver, Ant Rap en het overtuigende titelnummer Prince Charming. Five Guns West, leunt onverwacht tegen de Country aan, maar valt een beetje uit de toon met de rest van het album. Picasso Visita El Planeta De Los Simios, heeft een rauw geluid dat wel overtuigd, net als That Voodoo. Natuurlijk staan er ook een paar zwakke nummers op, zoals Mowhok en het laatste nummer S.E.X., dat eigenlijk nog slechter is dan Five Guns West. Uiteindelijk hebben Adam and the Ants maar een paar jaar bestaan, maar ze hebben andere groepen binnen de stroming van de New Romantics duidelijk geinspireerd, en ze maakten ook deel uit van de Second British Invasion.

Gotye – Making Mirrors (2011)

Een Belg met een Australische achtergrond of een Australier met Belgische roots? Die vraag kan iemand in verwarring brengen. Dat doet de muziek eigenlijk ook een beetje. Making Mirrors is een beetje van alles wat. In feite wordt je er niet veel wijzer van. Met de beste intenties gemaakt, maar het grijpt allemaal niet in elkaar. Het gaat alle richtingen uit. Soms denk je dat het vanaf een bepaald moment gaat gebeuren. Maar niets van dat alles. Het album had eigenlijk twaalf Somebody That I Used To Know achtige nummers moeten bevatten. Maar dat is niet het geval. En dat is jammer, want dat nummer is goed te verorberen. Voor veel mensen is dat juist een reden geweest om dat album sowieso te kopen. Maar in plaats daarvan is het allemaal nogal onzichtbaar, vlak, en vooral nietszeggend. Kort gezegd: de rest van het album valt gewoon tegen, en is soms ronduit irritant. Met een paar nummers heb je het eigenlijk wel gehad. Easy Way Out, ook op single uitgebracht, valt nog te pruimen. I Feel Better, een gospelachtige track gaat ook nog wel. In Your Light is net een beetje teveel George Michael, en om het zacht uit te drukken, niet bepaald origineel. State of the Art lijkt ook een beetje (Thomas Dolby) op iets anders, waarschijnlijk net niet veel genoeg, wat dan wel weer goed werkt. Maar negens kan dit album de spanning goed vasthouden. Eigenlijk wordt je er een beetje triest van. Gotye schijnt niet meer actief te zijn. Maar wat mij betreft verdient hij een herkansing. Misschien dat hij dan toch maar eens in een spiegel moet kijken. Making Mirrors is het allemaal net niet.

Allen Stone – Allen Stone (2012)

Retro Soul uit de staat Washington. Stone, die een religieuze achtergrond heeft en zijn religieuze wortels al ruim voor dit album blijkbaar van zich heeft afgeworpen, komt met warme retro klanken uit lang vervlogen tijden. Een jaar eerder in eigen beheer uitgegeven, was dit album zijn grote doorbraak bij ATO Records (hoewel er sindsdien niet echt veel meer van hem is vernomen). En eerlijk gezegd als je naar dit album luisterd, dan weet je dat je met zijn muziek wel een huisfeestje kunt geven. De meeste nummers zijn behoorlijk intiem en persoonlijk. Met wat snelle en wat langzamere nummers klinkt het allemaal best wel afwisselend. Stemmige muziek van iemand die er met zijn lange blonde haar bepaald niet uitziet zoals hij klinkt. De tien nummers op dit album verdienen meer dan alleen respect. Het vierde nummer Say So brengt je zo weer terug naar de gouden tijden van de Soul, naar Stevie Wonder bijvoorbeeld, niet alleen qua muziek maar ook qua stem; alsof Stone zijn zoon zou kunnen zijn. Ook Hall & Oates en Marvin Gaye komen om de hoek kijken. Sleep, Satisfaction, Nothing To Prove, Contact High. Het geeft je allemaal een goed gevoel. Je kunt hier best wel van genieten. De teksten zijn inhoudelijk to the point. Het gaat allemaal wel ergens over. En luisterend kom je er achter dat de man zelf blij wordt van zijn eigen muziek. En dat brengt hij ook over. Je krijgt er een goed humeur van. Dit hele album is een soort eerbetoon aan al die Motown en Philadelphia artiesten die hem vooraf zijn gegaan. Hij is een van de vele opvolgers die absoluut meer aandacht verdiend. Ook al ziet hij er meer uit als een lid van Pearl Jam dan dat je aan Stevie Wonder moet denken.

CPR – Just Like Gravity (2001)

Just Like Gravity van CPR (David Crosby, Jeff Pevar, James Raymond) is Pop Rock. Twaalf nummers staan er op dit album. Maar het is een beetje hetzelfde verhaal als met Venice. Uitstekende muzikanten, mooie arrangementen, maar het pakt niet. Geen zeggingskracht. Misschien ook wel saai. En als we bij Crosby blijven. De man heeft in allerlei verschillende samenstellingen albums gemaakt. Maar Just Like Gravity is in mijn verzameling ronduit de minste. Maar niet getreurd. Het niveau van de muziek van David Crosby blijft op een bepaalde manier toch wel aanvaardbaar. Altijd samen met goede muzikanten. Zoals Leland Sklar (Joanna Newsom, Crosby & Nash, Kinky Friedman) die op het nummer Jerusalem bas speelt. De nummers die Crosby alleen geschreven heeft Kings Get Broken, Climber en Just Like Gravity, dat hij op gitaar zelfs alleen speelt, hadden net zo goed in 2020 op een nieuw te verschijnen album van CS&N kunnen staan. Weinig vernieuwend dus. En ook niet vriendelijk En ook geen compliment. Om dit album dan toch maar te kunnen waarderen, moet gezegd worden dat er aan de mooie samenzang, met hier en daar een herinnering aan de vroegere dagen samen met Stills en Nash, zeker ook niets ontbreekt. Voor de rest is alles lamlendigheid wat de klok slaat. Een paar nummers die wel kunnen boeien zijn Climber, Coyote King en Just Like Gravity, niet toevallig de laatste drie nummers van dit album. Het mooiste is dus voor het laatste bewaard blijkbaar. Net als het feit dat de samenwerking met James Raymond ook een verhaal apart is. Zonder zijn alcohol probleem had Crosby zijn teruggevonden zoon waarschijnlijk nooit ontmoet.

Department of Eagles – In Ear Park (2008)

Indie Folk uit New York City. Department of Eagles is een duo dat bestaat uit Daniel Rossen en Fred Nicolaus, twee jeugdvrienden die samen hebben gestudeerd, aangevuld met onderandere Christopher Bear en Chris Taylor. The Eagles hebben daarom dan ook een sterke connectie met Grizzly Bear. Want ook Rossen was lid van deze band. Als je naar dit album luisterd, heb je het gevoel dat je vanuit de stad een weekendje in een blokhut in de wildernis gaat doorbrengen. Of in dit geval naar een park, waar Rossen als jongetje met zijn vader altijd naar toe ging, en waarnaar dit album is vernoemd. Terug naar de essentie van het leven. Het geeft je een verloren gevoel dat rijk is aan verbeeldingskracht, en dat vooral muzikaal heel mooi in elkaar zit. Het is een zelfreinigende roadtrip, een soort nostalgisch avontuur. Alsof de geesten je komen opjagen en je geconfronteerd word met je verleden. Er schuilt ook een soort van eerlijkheid in, met gevoelens van onvermogen, verlies en acceptatie. Helemaal aangewezen op jezelf, moet je in het reine zien te komen met je herinneringen, samen met je vrienden. Een beetje jagen, een beetje bier drinken, met een echo uit je verleden dat je wil vermorzelen. Phantom Other, Teenagers, Classical Records en Waves of Rye, zijn nummers die rijk zijn aan muzikale verbeeldingskracht. Emotioneel en spannend. Therapy Car Noise geeft je kippenvel. Floating on the Lehigh is werkelijk een klein pronkstukje, een klein schilderijtje met warme en zachte pastelkleuren, prachtig gezongen. En als je denkt dat je alles hebt gehad, wordt dit album afgesloten met het werkelijk nog mooiere Balmy Night. In Ear Park is opgedragen aan Rossen’s vader. De man mog trots zijn op dit werkstuk van zijn zoon.

Venice – Born And Raised (1997)

Venice komt inderdaad uit Venice, en de bandleden heten allemaal Lennon. Familie ook nog van elkaar. Naast de broers en neven Mark en Michael (de broers) en Kip en Pat (de neven), het gezicht van de band, doen er ook nog een Kevin, Lori, Daniele, Jimmy Jr., Avalon Rose, Tom, Debby en Jody Lennon mee. Een heel familiebedrijf dus. Bijgestaan door een aantal sessiemuzikanten, dat wel. Venice weet prachtige harmonieen te produceren. De stemmen passen heel mooi bij elkaar. De liedjes zijn perfect. Je weet alleen niet precies wat je er van moet vinden. Aan de samenzang ontbreekt niets. Maar het geeft geen kippenvel en er is geen diepgang te bespeuren. Misschien omdat het niet essentieel genoeg is? Deze jongens zullen geen revolutie teweeg brengen. In ieder geval is het typische Californische muziek, dat je mee terug neemt naar de jaren zeventig. Het doet je denken aan de Eagles, Beach Boys, en aan CSN&Y. Inderdaad andere bands en andere tijden. De liedjes op Born And Raised blijven echter niet hangen. Maar op het moment van luisteren voel je je goed bij dit soort muziek. Vooral in de zomer op het strand. En daarom is het wel een aardig album. Er staan geen uitschieters op en er zijn geen dieptepunten te beluisteren. Het is haast allemaal in hetzelfde tempo gespeeld: vaak traag en slepend. Erg braaf en bepaald niet avontuurlijk. Van de zestien nummers zijn alleen Rivers Never Run, Baby’s Calling, Circus in Town, en Time On My Hands de moeite van het luisteren waard. Oh Yeah, Oh Well is het beste nummer. Soft Rock geproduceerd in de Lennon Music Studios. Eentoniger kan het niet worden.

Chromatics – Kill For Love (2012)

Kill For Love van Chromatics duurt zevenenzeventig minuten, maar dat is geen probleem. Als je eenmaal begint te luisteren laat het je even niet meer los. Het doet je een beetje denken aan de jaren tachtig van de vorige eeuw (ik blijf het leuk vinden om dit te schrijven). Dit album heeft een zekere klasse. Het creeert een eigen wereld van geluid. Hoewel het album opent met de cover Into The Black van Neil Young, weten de Chromatics daarna een mooie dromerige sfeer op te roepen, waarin je eigenlijk niet meer weg wil komen. Ze laten je een hele nieuwe wereld ontdekken. The Streets Will Never Look The Same is een nummer dat je steeds weer wil terug horen. Mooi gedaan. Zelfs de auto-tune die je regelmatig voorbij hoort komen, is absoluut geen hindernis om deze muziek te waarderen. Broken Mirrors, Candy, The Eleventh Hour, het prachtige Running From The Sun, is muziek dat je soms bij de strot grijpt. Dust To Dust en Birds of Paradise you are the black sky, always running from te sun‘ zijn juweeltjes waardoor je zelfs doet verlangen dat dit album nog langer zou moeten duren. Misschien dat ze dan Matter Of Time hadden kunnen weglaten Dit is een van de zwakkere nummers op dit album, want die staan er ook heus wel op. Net als At Your Door, dat een beetje krampachtig overkomt. De twee afsluitende stukken zijn dan wel weer interessant. There Is a Light Out on the Horizon, een instrumentaal nummer dat een krautrockachtig sfeertje heeft, en The River, een van de beste nummers van dit album. Kill For Love is met alle plussen en minnen bijelkaar opgeteld spannend en avontuurlijk. Alternative Dance met veel synthesizers, en zeer zeker met een eigen geluid.

Amy MacDonald – A Curious Thing (2010)

Schotse zangeres die bij een aantal mensen wat teleurstelling teweeg bracht. Want te voorspelbaar en te clichematig. En dat klopt denk ik ook wel. Macdonald is in iedergeval een voorbeeld van een artiest van wie het tweede album altijd tegenvalt. Het bevat geen Mr. Rock & Roll en geen This Is The Life. Jaren de tijd gehad om je eerste album samen te stellen; het tweede album zijn altijd de overgebleven ideeen waar je ook nog iets mee moet. Het heeft wel een paar leuke liedjes. Maar veel zijn het er niet. De stem van Amy Macdonald blijft wel intrigeren. Haar Schotse accent geeft de muziek net dat beetje extra, waardoor het je emotioneel kan raken (is een persoonlijk dingetje). Maar het blijft oppervlakkig. Maar Give It All Up, het zesde nummer, is ronduit slecht. Het hele album is overgeproduceerd. An Ordinary Life gaat onder in een complete mist. Dan blijkt het allemaal toch mainstream muziek te zijn. Wat moeten ze allemaal gedacht hebben? Het is in ieder geval geen muziek dat blijft beklijven. Een van de uitzonderingen is No Roots, dat rustig begint, met Macdonald’s stem wat meer op de voorgrond en dan uitpakt als een meepakkend up-tempo nummer. Maar ook dat eindigd wat in mineur. Last Love is wel een goed nummer, net als My Only One, ook een langzaam nummer dat nog enige potentie heeft. This Pretty Face (Paul Weller op bas) is ook een van de betere nummers. Hoe je het ook bekijkt: hiervan wordt je toch echt vrolijk en komt de magie van Amy naar boven, want MacDonald kan echt wel zingen. Troubled Soul bevat nog een aardige gitaarsolo. Maar het beste heeft Macdonald met het afsluitende What Happiness Means To Me blijkbaar voor het laatst bewaard. Want voor MacDonald blijf je toch een zwak houden. En liedjes schrijven kan ze.

Willy Moon – Here’s Willy Moon (2013)

Ja, wat moet je over Willy zeggen? Dat hij met zijn strapatsen in de jaren 50 bekend had moeten worden? Dat hij te laat geboren is? Dit 28 minuten durende album overtuigd allerminst. Het ligt er allemaal een beetje te dik op. Het is een beetje van alles wat. Wellicht moet je Willy dan ook niet al te serieus nemen. Dit album is eigenlijk zo slecht, dat het vanzelf in een zekere zin ook wel weer interessant is. Interessant in de zin om te weten dat dit soort mensen ook nog bestaan, die het lef hebben te denken dat ze er toe doen. Maar er is slechtere muziek gemaakt. Laten we het daarop maar houden. De enige twee nummers die dit product (en zo moet je het letterlijk zien: een marketing truukje) nog kan redden, is I Put A Spell On You, een cover van Screamin’ Jay Hawkins – en zelfs dat is een smaakloze uitvoering, en het andere nummer Murder Ballad, een instrumentaal buitenbeentje vergeleken met de rest van dit album. Verder staat er niets interessants op. Willy moet je als een One Hit Wonder beschouwen, als de It-Boy van het moment, die zijn vijftien minuten van beroemdheid reeds lang achter de rug heeft. Daarna nooit meer iets van Willy gehoord. Heeft zelfs geen herkansing gekregen. En zelfs Bryan Ferry was modieuzer gekleed. Willy Moon voegt muzikaal niets toe aan wat dan ook. Van de meest depressieve muziek wordt je in feite nog vrolijker, dan van Here’s Willy Moon. Hij is typisch zo’n model die vaak in de Libelle en de Margriet staat en ook een plaatje heeft mogen maken. Uiterst vermakelijk allemaal. We wachten met spanning af wanneer Willy weer met iets nieuws komt.

Mark Knopfler – Local Hero (1983)

Vaak moet je oppassen als je iets schrijft over een Soundtrack van een film als je die film heel goed vind. Soms is de film geweldig en valt de muziek nogal tegen. Bij Local Hero van Knopfler is dat een beetje het geval. Hoewel er wel een paar goede nummers op staan. Niet veel, maar toch. En ook aan de muzikanten ontbreekt niets. Gerry Rafferty, Michael Brecker (o.a. Parliament, Lou Reed, Todd Rundgren), Tony Levin (o.a. Lou Reed, Peter Gabriel, Robbie Robbertson), Steve Jordan (o.a. Donald Fagen, Don Henley, The Blues Brothers), Mike Mainieri (Don McLean, Aerosmith), Neil Jason (John McLaughlin, Cyndi Lauper). Allemaal prima. En ook Clark, Illsley, Lindes van Dire Straits doen op dit album mee. Maar toch heb je een beetje een onbestemd gevoel. Misschien is het allemaal te fragmentarisch? Maar dan vergeet je weer dat dit een Soundtrack van een film is. En dat het gemaakt is door Mark Knopfler. Wild Theme bijvoorbeeld is aardig. Freeway is spannend. The Way It Always Starts gezongen door Gerry Rafferty is een mooi klein liedje. Bij Boomtown (Variation Louis’ Favorite) heb je het gevoel: zo zou het hele album moeten klinken. Michael Brecker is hierop echt geweldig. Bij The Ceilidh and the Northern Lights en The Mist Covered Mountains, daar moet je toch echt de filmbeelden bij zien. Heb je dan toch mooi weer de film in je gedachten. Het doet allemaal sterk aan Dire Straits denken, maar dat is geen belediging. Dire Straits maakte uitstekende muziek. Going Home: Theme of the Local Hero (ook een hoofdrol voor Brecker en het afsluitende nummer), is dan meteen ook het beste, en had zo op Love over Gold kunnen staan.

Sonata Arctica – Winterheart’s Guild (2003)

Metal uit Scandinavie. Om specifieker te zijn: Symfonische Power Metal uit Finland, uit het hoge noorden van Finland zelfs, uit Kemi. Dat op zich kan interessant zijn. Want je bent toch altijd benieuwd wat mensen daar muzikaal allemaal zo bezig zou kunnen houden. Bijgestaan door sessiemuzikant Jens Johansson (Yngwie Malmsteen), die keyboards speelt op The Cage, Silver Tongue, Victoria’s Secret en Champagne Bath, kun je de jaren tachtig hardrock invloeden duidelijk horen. En dat is toch echt allemaal al een keer eerder gedaan. De zanger van de band, Tony Kakko, die de hoge noten zonder probleem regematig haalt (soms doet hij denken aan de zangers van Styx en Kansas), doet dit in ieder geval met veel passie. Maar passie op zich is geen kwaliteit. Het merendeel van de muziek bestaat uit up-tempo nummers met hier en daar een ballad. Broken, The Misery en Gravenimage bijvoorbeeld, waar Kakko gedeeltelijk in een wat lagere stem zingt. Maar het lijkt af en toe meer een wedstrijdje snel drummen en snel gitaar spelen. Met veel bombastisch geweld. Met meer vorm dan inhoud. Nergens klinkt het echt spannend, nergens is iets te bespeuren van enige emotie die je zou kunnen raken. Het enige wat daar in de buurt van komt is het afsluitende nummer Drag Me, maar daar wordt je ook bepaald niet vrolijk van. Je kunt duidelijk horen dat dit album voornamelijk in de studio is ontstaan. Op zich is daar niets mis mee. Dit kan vaak juist ook wel goed uitpakken. Maar het lijkt net alsof het allemaal niet goed is uitgewerkt. Het enige wat aan dit album kan boeien zijn de technische vaardigheden van de muzikanten. Maar voor de rest is het toch allemaal wat vals sentiment.

Times New Viking – Born Again Revisited (2009)

De nieuwe Vikingen komen in dit geval uit Columbus, Ohio. Hun debuut komt uit 2005 en dit is hun vierde album uit 2009. Ongeorganiseerde herrie zonder begin en eind? Nee! Op het eerste gehoor heeft het allemaal weinig structuur, maar dat is een misvatting. Het zijn wel degelijk allemaal goed in elkaar zittende liedjes. Het ene nummer is misschien wat beter dan het ander. Maar het openingsnummer Martin Luther King Day blijkt echter wel meteen het beste van het hele spul te zijn. City on Drugs heeft een leuk orgeltje, en heeft daardoor absoluut je aandacht. Soms lijkt het allemaal wat onafgemaakt (is het niet) en doen al die nummers aan iets anders denken. Zoals het titelnummer Born Again Revisited. Maar dan komen ze toch weer met een of andere leuke vondst op de proppen. Little World is spannend, en doet je denken aan Meg White van The White Stripes, maar dan allemaal wat rauwer. No Time No Hope, Half Day In Hell, Something More klinken bijna smachtend. Ook al is dit een Lo-Fi album, en is de productie niet om naar huis te schrijven: je raakt met dit album wel in vervoering. Op een gegeven moment hoor je de slechte opname kwaliteiten niet meer. 2/11 Don’t Forget is wat dat betreft een goed voorbeeld. Misschien is het allemaal wat eentonig met weinig afwisseling. Those Days is een Velvet Undergound achtig nummer. (Me) Sympathy, High Holidays, Hustler Psyche Son is lawaai, noise. En Move To California lijkt dan wel weer aardig. Take The Piss is het afluitende nummer, waardoor je toch wat in verwarring achterblijft. Maar dat maakt niet uit. Meestal is verwarring alleen maar goed. Daar gaat het in de muziek tenslotte toch altijd om!

Judy Collins – Judy Sings Dylan… Just Like A Woman (1993)

Judy Collins maakte haar debuut al in 1961. In 1967 had Collins een hit met Both Sides Now (Joni Mitchell). Een ander nummer wat haar wereldberoemd maakte was Send in the Clowns. En niet te vergeten CSN’s Suite: Judy Blue Eyes (Crosby, Stills & Nash). Collins was in de jaren zestig een prominent figuur in de Folk beweging van Greenwich Village. Ook heeft Collins een verleden met nummers van Dylan. Dus heeft Collins alle recht van de wereld om een cover album van de meester te maken. Maar dit album is niet echt bijzonder. Aan de nummers zelf ontbreekt natuurlijk niets, muziek van Dylan zelf is altijd op z’n minst interessant. Ook niet aan de stem van Collins; Collins kan absoluut mooi zingen, en haar stem ligt prettig in het gehoor. Het is meer de keuze van die nummers, die zijn een beetje voorspelbaar, en de manier hoe Collins deze nummers vertolkt: afstandelijk, niet doorleeft genoeg en te gepolijst. Iedereen heeft al een keer Like A Rolling Stone, It’s All Over Now Baby Blue, Simple Twist Of Fate en Just Like A Woman gedaan. En een aantal ook wel beter. Simple Twist Of Fate, Gotta Serve Somebody weten zelfs helemaal niet te boeien. Sweetheart Like You, Dark Eyes, With God On Our Side en Dylan’s Dream zijn wel aardig. Maar dat is het dan ook. Love Minus Zero/No Limit, Just Like A Woman, I Believe In You zijn ronduit weerzinwekkend. Aan de muzikale begeleiding ontbreekt niet veel, dat zijn goede muzikanten. Maar het hele album is als een soort mislukte liefdesbrief, gericht aan iemand die die brief waarschijnlijk meteen in de prullenmand zal gooien. Zeker voor Judy Collins is dit een gemiste kans. Judy Sings Dylan is een voorspelbaar album, dat alleen interessant is omdat er nummers van Dylan op staan.

A Tribe Called Quest – The Low End Theory (1991)

Een van de meest bewierookte Hip Hop albums dat ooit is verschenen. Mede door de fusion tussen Hip Hop en Jazz (ooit heus wel eens eerder gedaan, maar in dit geval nog nooit zo geprezen). Als je naar The Low End Theory luisterd heb je het gevoel dat dit album live is opgenomen. En dat is prettig om te horen. Mede bewerkstelligd door de opnametechniek, maar natuurlijk nog het meest door de stemmen van de twee rappers Q-Tip en Phife Dawg, die beiden door hun eigen manier van rappen voor afwisseling zorgen. Zij geven het geheel een bijna atmosferische transcendente ervaring. Alsof er met goede bedoelingen geruststellend in je oor wordt gefluisterd ‘luister eens even, wist je dit?’ The Infamous Date Rape, Check The Rhime, Everything is Fair, klinken haast vriendelijk en liefdevol: ze willen je niet waarschuwen, ze geven alleen maar advies, ‘doe ermee wat je wil’. Ze rappen alleen maar over dingen die er toe doen. De nadruk op dit album ligt niet op het gebruik van samples (zoals bij Hip Hop altijd het geval is), maar ze zijn er natuurlijk wel: The last Poets, The Average White Band, Funkadelic en Grant Green, en waarschijnlijk nog wel een paar meer. De nadruk op dit album ligt meer op het simpele geluid van rap, bas en drums. Het is een uitgekleed geluid. Verder nog interessant is Verses From The Abstract waarop bassist Ron Carter meespeelt (hoewel er ook van hem een sample op Skypager is gebruikt). Zijn voorwaarde om op dit album mee te doen was dat er geen gevloek op te horen zou zijn. En dat hoor je op dit album inderdaad ook nergens. The Low End Theory is een van de meest interessante Hip Hop albums dat ooit is uitgebracht. Ook voor mensen die bijvoorbeeld alleen maar van Jazz houden.

Public Enemy – It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back (1988)

The Revolution will not be televised! Sommige mensen beschouwen It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back als het beste rap album dat ooit is gemaakt. Dat zou kunnen. It Takes A Nation klinkt als een tornadio die over je schuilkelder raasd, dat alles afbreekt. Ze zijn het oog van de storm. Don’t Believe The Hype. Ze zijn de vijand van iedereen die een vriend is van de vijand. In een strak hoog tempo rappen ze (Chuck D, Flavor Flav, Terminator X, Professor Griff) de longen uit hun lijf, alsof het spoken-word poetry is. Ze laten er geen misverstand over bestaan dat je je niet voor de gek moet houden, dat je niet in paniek moet raken, dat je je moet realiseren dat anderen je willen vernietigen, zoals in Terminator X To The Edge Of Panic. Dus kom in opstand Louder Than A Bomb. Bij een hoop nummers heb je het gevoel dat je mee wil gaan in hun strijd tegen onrecht, dat je ook soldaad wil worden in hun leger, en dat je mee wil vechten. Caught, Can We Get A Witness?, Show Em Whatcha Got, Black Steel In The Hour Of Chaos, Rebel Without A Pause. Het vermelden waard is Prophets of Rage, waar later een supergroep naar vernoemd is. Ook op dit album zijn nogal wat samples gebruikt. Zo horen we bijvoorbeeld James Brown, Funkadelic, Rufus Thomas, Flash van Queen, War van Edwin Starr, en misschien wel het opvallendste (YouGotta) Fight for Your Right (To Party) van de Beastie Boys op zelfs drie nummers Cold Lampin With Flavor, Louder Than a Bomb en Party for Your Right to Fight. Er zit geen agressie in wat je hoord. Het zijn allemaal observaties. Dat we eigenlijk allemaal blind zijn, maar als je maar voor genoeg onrust zorgd, zal alles veranderen. De boodschap is duidelijk. Neem niets van iemand aan, niets is vanzelfsprekend. Je zult moeten vechten om dingen te veranderen. Het is geen feest om te moeten vechten, maar als we moeten vechten zal het feest zijn. It Takes A Nation Of Millions To Hold Us Back!

Cypress Hill – Cypress Hill (1991)

Cypress Hill bestaat op dit debuutalbum uit B-Real, Sen Dog en DJ Muggs (producer). Gangsta! West Coast Hip Hop! Golden Age! Latino Hip Hop! Waren rond deze tijd erg populair, mede wellicht voor het promoten van cannabis en maruana, maar zeer zeker ook op muzikaal gebied (hoewel ik persoonlijk Hip Hop en Rap nog steeds geen echte muziek vind). Dit debuutalbum stond namelijk model voor vele Hip Hop albums die later in dit wereldje zouden verschenen. Het geluid van Cypress Hill is een combinatie van het nasale stemgeluid van rapper B-Real en de beats van DJ Muggs. Sommigen storen zich aan de stem B-Real, maar als je er een tijdje naar luisterd ga je er vanzelf aan wennen. Net als de meeste Hip Hop albums, bestaat ook dit album uit een aantal samples. Are You Experienced van Jimi Hendrix op How I Could Just Kill A Man, Duke of Earl van Gene Chandler op Hand on the Pump, en Underdog van Sly & The Family Stone op Real Estate. En nog een aantal meer. Cypress Hill is bepaald geen vrolijk album, het gaat over geweld, over drugs, over het leven op straat. Een aantal nummers zijn in het Spaans zoals Latin Lingo en Tres Equis. Cypress Hill laat op dit debuutalbum horen dat Hip Hop begin jaren negentig een nieuwe weg was ingeslagen. Om deze reden is het een van de belangrijkste Hip Hop albums uit de geschiedenis. Beste nummer is het openingsnummer Pigs. Het geeft meteen de sfeer aan van de rest van het album: de jongens van de straat tegenover de politie.

Beastie Boys – Paul’s Boutique (1989)

Aangeklaagd worden door de Beatles schijnt een eer te zijn volgens een van de leden van de Beasties. Misschien is dat wel zo. Maar het geeft aardig aan wat je van Paul’s Boutique kunt vinden. In totaal zijn er 105 verschillende nummers op dit album gesampled. Het gaat een beetje ver om ze allemaal op te noemen (One of These Days, Superfly, Dance to the Music, Up on Cripple Creek, The Ballroom Blitz), maar dat The Beastie Boys er een aparte kunstvorm van hebben gemaakt staat wel vast. Je kunt er negatief over doen, maar het is allemaal erg knap gedaan. Het is overweldigend, je kunt er naar blijven luisteren, en je hoort steeds weer nieuwe dingen. Dat is misschien wel de kracht van dit album: het is een feest van herkenning. Dit album is niet alleen een ode aan de stad New York, maar dankzij al die samples ook een ode aan andere artiesten. De Beatles in The Sounds of Science bijvoorbeeld (The End, When I’m Sixty-Four, Back in the U.S.S.R.). En er zit ook afwisseling in met 5-Peace Chicken Dinner (ook al duurt deze track maar 23 seconden), Looking Down the Barrel of a Gun, en het twaalf minuten durende B-Boy Bouillabaisse (met wel 24 samples). Hoe vaker er je naar luisterd kom je er achter dat al die samples een zeker doel dienen. Ze worden gebruikt om aan te tonen dat creativiteit ook opgaat voor mensen die iets nieuws van iets ouds kunnen maken (ook al moet je daar dan voor betalen wat muziekrechten betreft). Wat dat betreft is Paul’s Boutique meer dan geslaagd. Je moet er de humor van in kunnen zien. The Beastie Boys stralen net zoveel vitaliteit uit als bijvoorbeeld The Ramones, om maar een voorbeeld te noemen. Paul’s Boutique is een coherent album met allerlei grappige teksten met een hoog amusementgehalte. En bovendien, als je een feest wil geven, kun je The Beastie Boys rustig uitnodigen. Succes verzekerd.

De La Soul – 3 Feet High And Rising (1989)

Hip Hop trio van Long Island, New York. Dit debuutalbum was een sensatie eind jaren tachtig. Ze maakten Hip Hop zoals niemand anders dat tot dan toe had gemaakt. Hip Hop over bloemetjes, bijtjes, vlinders en liefde. Onderwerpen die andere rappers niet behandelden. Zachtaardige jongens met zelfkritiek, zichzelf niet serieus nemend, en absoluut niet agressief. De drie leden van De La Soul waren de vriendelijk neefjes van al die gevaarlijke street rappers, die het alleen maar over status, geld, auto’s en bitches hadden. Ze brachten alles in een ander perspectief. Alternatieve Hip Hop in de letterlijke betekenis. Nu, na al die jaren is dit album nog steeds een uitzondering in het Hip Hop genre. Rap, Pop, Soul, Disco, Rock, Jazz, Funk? Het is allemaal zeer aangenaam om naar te luisteren. 3 Feet High And Rising bevat een aantal hits, waaronder Me Myself and I (was pas de vierde single van het album). Maar ook Can U Keep a Secret, Jenita Taught Me (Derwin’s Revenge) zijn aardig. Eye Know bevat onderandere samples van Steely Dan’s Peg en Otis Redding’s Sitting on the Dock of the Bay. Say No Go (Hall and Oates) zit ook vol met samples, maar ze hebben zich ook dit nummer volkomen eigengemaakt. Eigenlijk hoor je van alles voorbij komen, zelfs Liberace. 3 Feet High And Rising klinkt origineel, dankzij en niet ondanks dat het door al die samples tot een mooi geheel is gesmeed. Niet voor niets was dit album eind jaren tachtig baanbrekend. Hiernaar luisterend kom je vanzelf in een positieve flow, dat grappig is, met veel gevoel voor humor is gemaakt, en uiterst knap in elkaar zit.

The Roots – Do You Want More?!!!??! (1995)

Geen gewone Hip Hop, maar Jazz Hip Hop, of wat daar op lijkt. Misschien ook wel met niets te vergelijken. De Jazz invloeden kun je op Do You Want More?!!!??! in ieder geval niet ontkennen. Bekend als huisband van Jimmy Fallon (The Tonight Show Starring Jimmy Fallon en Late Night with Jimmy Fallon). Do You Want More?!!!??! is het tweede album van deze uit Philadelphia afkomstige band. De zestien nummers op dit album zijn allemaal geproduceerd door Questlove, The Grand Negaz of door Black Thought, in verschillende combinaties en samenwerkingen. The Roots is meer dan alleen maar een stelletje rappers op een podium. The Roots bestaat namelijk uit goede muzikanten. Wat opvalt is het uitstekende drumwerk van Questlove en de keyboards van Scott Storch. En ook Joshua Roseman en Steve Coleman verzorgen prima blaaswerk. Alles op dit album geeft een gevoel van vrijheid/blijheid, en dat men lol heeft in wat ze doen. Distortion To Static is intrigerend. Datskat, het zesde nummer, zwingt de pan uit, en gaat verder dan gewone Hip Hop. Lazy Afternoon met Casandra Wilson zingend, is ook prettig om naar te luisteren, en wijkt behoorlijk af van de Hip Hop norm. Er is zelfs wat humor te vinden op bijvoorbeeld ? vs. Rahzel. Improviserend! Uitstekend vakmanschap. Essaywhuman?!!!??!, Swept Away. Het is meer Jazz is dan Hip Hop. Ook Silent Treatment is een van de betere nummers. Nog een extra vermelding tenslotte krijgt Ursala Rucker, die op het afsluitende The Unlocking klinkt als Lauryn Hill (of misschien beter gezegd andersom). Do You Want More?!!!??! klinkt uitdagend, het is creatief en in meerdere opzichten origineel, gespeeld door goede muzikanten op echte instrumenten. The Roots is gewoon een goede band.

Howard Shore – The Lord Of The Rings: Return Of The King (2003)

Return of the King is het derde deel van het drieluik van Lord of the Rings. De muzikale verantwoordelijkheid ligt geheel in handen van Howard Shore. Deze Canadees heeft een lange geschiedenis van filmmuziek op zijn naam staan. Om er een paar te noemen. The Silence of the Lambs, The Fly, Mrs. Doubtfire, Seven, Gangs of New York, de latere Hobbit films, en dus ook de drie Lord of the Rings films. Bijgestaan door de Londen Philharmonic Orchestra, de London Voices en de London Oratory School Schola (een jongenskoor), zijn er nog een paar opvallende namen op deze soundtrack te beluisteren. Ben del Maestro (Minas Tirith), Renee Fleming (Twilight and Shadow en The End of All Things), James Galway (op drie stukken). En zelfs de acteurs Billy Boyd (The Steward of Gondor) en Vigo Mortensen (The Return of the King) dragen een steentje bij. Mortensen zingt zelfs in het Elfs. Verdere hoogtepunten zijn The Black Gate Opens (James Galway op fluit), en zeer zeker ook Shelob’s Liar en Ash and Smoke. En ook niet te vegeten Into the West, muziek van de aftiteling van de film en gezongen door Annie Lenox. Wie van de boeken van Tolkien houdt zal zeer zeker ook van deze muziek houden. Misschien nog wel meer dan van de film.

Klaus Schulze – Timewind (1975)

Krautrock. Space Ambient. Deze Duitser was ooit lid van Tangerine Dream en Ash Ra Temple. Met een beetje verbeelding kun je deze man zien zwoegen achter zijn apparatuur, achter zijn orgel, keyboards en synthesizers. Timewind bestaat uit twee instrumentale nummers Bayreuth Return en Wahnfried 1883. Het is een ode aan Richard Wagner. Klaus Schulze heeft zijn sporen natuurlijk wel verdiend, heeft meer dan zestig albums op zijn naam staan, maar voor dit soort muziek moet je natuurlijk wel open staan. Het zijn lang uitgesponnen elektronische klankkleuren die eindeloos doorgaan. Je kunt jezelf afvragen welk doel dit allemaal dient. Toch, als je de moeite neemt, kun je er wel waardering voor hebben. Timewind is namelijk een reis door ruimte en tijd, waarin je wordt meegenomen in een kosmisch spektakel, waarin je geest wordt bevrijd. Je raakt er door in trance. En waar je dan terecht komt? In de verre uithoeken van het universum? Niemand die het weet. Toch kun je dit zien als een groots avontuur. Een avontuur met een uiteindelijke boodschap, dat alle dingen verklaart. Een muzikaal avontuur zeer zeker ook. Het begin van het tweede nummer Wahnfried 1883 bezorgd je letterlijk een hartverzakking. Het is alsof je de ineenstorting van het heelal meemaakt en daarna een nieuw begin laat zien. Het is chaos, wanorde, alsof een levend organisme je het ontstaan van al het leven inzichtelijk maakt, en alle antwoorden geeft. Verschrikkelijk tekeer gaat en dan tot rust komt. Het blijkt geen monster te zijn maar een vriendelijke entiteit. Klaus Schulze is op Timewind een magier, die wonderschone werelden schept, waarin je wordt meegenomen naar onbekende werelden, naar verre uithoeken van het universum, waar vandaan misschien geen weg meer terug is. Je raakt verloren in een constante staat van verwondering. Je voelt je een ontdekkingsreiziger die weet dat hij zijn prachtige avonturen nooit aan iemand zal kunnen vertellen.

Lenny Bruce – The Berkley Concert (1969)

Bob Dylan (Shot of Love) heeft over Lenny Bruce gezongen ‘Lenny Bruce was bad. He was the brother you never had.’ En Bruce was inderdaad geen lievertje, maar was wel een goed mens. Iedereen hield van Lenny Bruce. Verschillende keren gearresteerd. Ontelbare aanklachten. Had constant problemen met zo’n beetje iedereen. In 1965 was de man bankroet. En in 1966 stond hij op een zwarte lijst van zo’n beetje elke nachtclub in de Verenigde Staten. Op Live at Berkley (opgenomen in 1965) geeft hij constant briljante analyses, op een rustige en een geduldige manier. Om een aantal voorbeelden te geven. In Craphouse legt hij allemaal verbanden tussen de Katholieke Kerk, de politie, communisten, Vietnam (in the USA there are more churches than courthouses). In The Law legt hij alles uit wat er mis is met het Amerikaanse juridische systeem, hoe corrupt het is en hypocriet. En bij Obscenity gaat hij daar nog even op door. Hij verteld waarom hij daarmee in het verleden in de problemen is gekomen. Hij legt het allemaal haarfijn uit. Argument na argument. Zo gaat hij maar door. Crime, Marijuana, Lyndon Johnson, Ruby, Guys Exposing Themselves. Eigenlijk is Bruce geen moment grappig. Bij hem gaat het veel verder. Hij hoeft geen lachers op zijn hand te hebben, maar hij is meer een dominee die een preek geeft. Daarom blijf je ademloos naar hem luisteren. Hij beledigd niet, maar probeert alles aan iedereen te verklaren. Lenny Bruce was eerlijk. Lenny Bruce geloofde in de wet en daarom is het zijn ondergang geworden. Of zoals Bruce over hem zelf heeft gezegt ‘ I’m not a comedian. I’m Lenny Bruce.’

Simplisties Verbond – Hengstenbal (1977)

Qua Nederlandse humor krijgt deze simpelceedee tien mattenkloppers en tien alpino-petten. Om dat te kunnen begrijpen moet je opgegroeid zijn in de jaren zeventig, maar hoef je ook maar gewoon te luisteren naar dit album. Dan begrijp je dat. In 1969 begonnen met Hadimassa en Het Gat van Nederland, en vanaf 1974 begonnen met het Simplisties Verbond. Ongeveer om de drie weken een uitzending op televisie. Je kunt het je haast niet voorstellen dat de beide directeuren van het Verbond, toen al streefden naar het simpeler maken van de toen al ingewikkelder wordende maatschappij. Het Verbond heeft drie langspelers gemaakt, waarvan Hengstenbal de laatste was. Op het eerste nummer Introductie der Directie hebben ze het al over de patriachale dictatuur (dames en heren, Heren dames ook). Ze hebben het over Jasperina de Jong, Rita Hovink, Adele Bloemendaal, Adeletje, Ritatje, Willeketje Alberti, Ritatje Valk, Ritatje van Ammelrooi. Leuke meiden, leuke tijden. Over negen jaar getrouwd te zijn met Joke de Korte. Voor de rest gaat het vooral over mannen, over dat mannen het eigenlijk ook niet makkelijk hebben. Mannen bellen (over het maken van afspraakjes), Mannen kijken terug (vage kennissen), Mannen hebben relaties (als Thea er is doe jij heel anders), en Mannen vragen rond (vragen over de rondvraag). De Klisjee mannetjes, (Jacobse en Van Es) levend opgenomen in de Haagse Houtrusthallen, gaat over seks: over ketsen, pruimen op het sap zetten, een heel gedoe, de oudste voorstelling der wereld, fleppen, gelijkmatig in je bloed, kijken kijken en de rest er bij denken. Verder staan er nog een paar aardige liedjes op Ome Gijs, Call my name, As the sand en The whole night long en Mannen worden ouder. Hengstenbal is nog steeds leuk om naar te luisteren.

Jose Feliciano – Feliz Navidad (1970)

Eigenlijk zou je dit album uit 1970 gewoon Jose Feliciano moeten noemen. Maar omdat het een kerstalbum is, is dit album genoemd naar Feliciano’s grootste kersthit Feliz Navidad. Het zou een beetje flauw zijn dit album helemaal af te servereren, maar dat is onterecht. Want hoewel er wat voor de handliggende kerstnummers op staan en de keuze van de nummers nogal voorspelbaar zijn, is Feliciano namelijk best wel een verdienstelijk gitarist (is bijvoorbeeld op de drie bonustracks van deze uitgave te horen Las Posadas, Santa Claus Is Coming To Town en O Come All Ye Faithful). En anders geformuleerd: er zijn zelfs vanaf 1970 misschien wel duizenden artiesten geweest die kerstmuziek hebben uitgebracht die niet eens zijn voeten mogen kussen. De man heeft namelijk zelf een kersttraditional op zijn naam staan. Het titelnummer Feliz Navidad is op zich een nummer waar je blij van wordt, maar dit nummer is op de radio rondom de kerstdagen inmiddels zodanig grijs gedraaid, dat je er eigenlijk niet meer naar kunt luisteren. Maar toch blijft het een goed nummer. Verder staan er op dit album een paar erg plichtmatig gezongen nummers zoals The Little Drummer Boy, Mary’s Little Boy Child en Silent Night. Maar er zijn ook een paar instrumentale pareltjes terug te vinden zoals Jingle Bells, White Christmas, We Three Kings Of Orient Are, It Came Upon A Midnight Clear en Hark, The Herald Angels Sing, waarvan sommige wat overgeproduceerd zijn met storende strijkers op de achtergrond. Het enige vocale nummer wat er uitspringt is The Christmas Song (Mel Torme/Dickie Wells). Misschien moet je de conclussie trekken dat Feliciano een interessante gitarist is die een wereldhit op zijn naam heeft staan. Maar verder zijn er betere kerstalbums gemaakt. Vanzelfsprekend.

Katie Melua – Call Off The Search (2003)

Call Off The Search is een debuutalbum en een vocal jazz album met een aantal pop en blues invloeden. Melua zingt en speelt op dit album gitaar. Twee nummers zijn van Melua zelf. Zes nummers zijn geschreven door Mike Batt (die haar ontdekt heeft en ook wel bekend is van de single Bright Eyes), en verder staan er een aantal covers op van o.a Randy Newman en John Mayall. Katie Melua legt veel gevoel in haar stem. Als je haar hoort zingen wil je onmiddelijk onthaasten. Ze geeft een bepaald soort rust. Het hele album is sfeervol. En het gitaarspel is ook prima. Het album bestaat uit twaalf nummers waarvan The Closest Thing To Crazy het bekendste is. Verder staan er een paar blues achtige nummers op My Aphrodisiac Is You en Learnin’ The Blues. Blame It On The Moon doet je denken aan Dusty Springfield. Belfast (Penguins And Cats) is een mooi gevoelig liedje, door haar zelf geschreven en gaat over haar jeugd in deze stad. I Think It’s Gonna Rain Today (Randy Newman) is een mooie vertolking. Mockingbird Song is ook een blues nummer. Tiger In The Night is een Eva Cassidy achtig nummer en Faraway Voice is zelfs opgedragen aan Eva Cassidy. Call Off The Search wordt afgesloten met Lilac Wine (vooral bekend van Elkie Brooks en geschreven door James Shelton). Ze zingt dit nummer alsof je Jeff Buckley hoort (is ook door hem gecoverd) met een beetje een snik in haar stem. Misschien is dit dan ook het mooiste nummer van het album. Het ligt voor de hand om Katie Melua nog het meest te vergelijken met Norah Jones, maar als je het hele album hebt beluisterd weet je dat Melua’s stem nog het meest doet denken aan Eva Cassidy.

Jamie Cullum – Twentysomething (2004)

In 2003 al uitgebracht in Europa en in 2004 in de Verenigde Staten. Met dit album brak Cullum door bij het grote publiek. Twentysomthing bestaat uit prettig in het gehoor liggende piano Jazz achtige composities. Ook de warme doorleefde stem van Cullum is een rustgevende factor. Er staan drie eigen nummers op dit album (waaronder All At Sea, dat als single is uitgebracht). Twee nummers (waaronder These Are The Days, ook een single) zijn geschreven door broer Ben Cullum. De overige nummers zijn goed gekozen covers. Singin’ In The Rain, Old Devil Moon (mooie jazz uitvoering, mooie saxofoon), I Get A Kick Out Of You, Wind Cries Mary, Lover, You Should Have Come Over, van Jeff Buckley, zijn allemaal smaakvolle uitvoeringen. Op But For Now doet zijn pianospel een beetje denken aan Billy Joel, en dat is een compliment. Ook op zijn eigen nummers overtuigd Cullum. Hoewel Twentysomething geen pure Jazz is, maakte dit album vocale Jazz wel weer populair. En van Cullum een echte Pop ster. Net als Norah Jones. Mooie muziek voor op een zomerse avond om bij weg te dromen.

Seether – Poison The Parish (2017)

Seether is een trio, komt uit Zuid-Afrika, en bestaat op dit album uit Shaun Morgan, Dale Stewart en John Humphrey. Je kunt deze muziek het beste omschrijven als Alternative Metal. In dit twaalf nummers tellende album zit weinig verniewing. Alle nummers lijken op elkaar, er is weinig variatie en is verder emotieloos. De zanger klinkt constant kwaad. Maar op wie? En waarom? Er zijn echter een paar uitzonderingen. Betray And Degrade klinkt aardig. I’ll Survive ook. Against The Wall is een wat rustiger nummer en is ook om te pruimen. Let Me Heal is het beste nummer van Poison The Parish, in feite het meest spannende en afwisselende wat er wordt geleverd. Voor de rest is dit allemaal teveel Nirvana en Soundgarden, waar ze blijkbaar goed naar hebben geluisterd. Niet bepaald origineel en lang niet zo goed natuurlijk.

George Carlin – Jammin’ In New York (1992)

Jammin’ In New York was Carlin’s achtste HBO Special. Opgenomen in de Paramount Theater, New York City. Carlin heeft een soort van samenzweerderige manier van praten. Hij zegt dingen tegen je die alleen voor jou bedoeld zijn. Op een nogal intieme manier. Alsof hij al een tijdje met je in de kroeg gezeten heeft, op de achteruitgang wijst, dan tegen je zegt, kom even mee naar buiten, ik moet wat tegen je zeggen. In een donker steegje begint hij dan allemaal geheimen aan je te openbaren. Carlin heeft een fijne stem om naar te luisteren. Op Jammin’ In new York steekt hij in Rockets and Penises in the Persian Gulf meteen van wal over het Amerikaanse leger. Praat hij over oorlogen, racisme, angsten, bombardementen, de lengte van penissen, de Golfoorlog en de Vietnamoorlog. Little Things we Share, gaat over verbinding maken, dat ondanks dat er gigantische verschillen in de Verenigde Staten zijn, juist de kleine dingen voor verbinding zorgen. Het gaat over belastingen, urineren en niezen. Airline Announcements gaat eigenlijk over taal, over het misbruik maken van taal, over hoe mensen voor de gek gehouden worden en als kinderen worden behandeld, over de vanzelfsprekendheid van berichten die vaak juist misleidend zijn, en over hoe taal in de loop der jaren is veranderd. Carlin maakt zich kwaad dat iedereen maar alles accepteert, maar dat je ook vaak geen keus hebt om daaraan te ontkomen. Dat er altijd maar weer misverstanden ontstaan omdat je de meest stomme dingen tegenkomt. Hij praat maar door over de ellende die hij meemaakt als passagier, heeft het een hele tijd over veiligheidsgordels, over noodlandingen, gezagvoerders, piloten, bagage, bestemmingen en terminals. Golf Courses for the Homeless, gaat eventjes over boulemia, en gaat dan weer over oorlog, maar deze keer over de oorlog tegen daklozen, over dat ze meer rechten en gratis dingen moeten krijgen, het gaat over dat er meer tijdschriften moeten komen waar daklozen iets aan hebben (het begrip homelesness moet volgens hem veranderen in houselesness). Het gaat over hypocriet gedrag (not in my backyard). Hij vind dat golfbanen geschikt moet worden gemaakt voor daklozen. Hij gaat een tijd tekeer tegen golf, maakt het belachelijk. Vergelijkt golfbanen met begraafplaatsen, In The Planet is Fine maakt hij samenzweerders belachelijk, klimaatgekken, die achter alles iets zoeken. Maar dat er niets aan de hand is. Het gaat over catastrofes, die hij juist wil zien. Hij ziet dat als entertainment. Hij wil ongelukken zien, het liefst zo dicht mogelijk bij huis. Hij houd van slecht nieuws. Hij wil dat het systeem in elkaar stort. Hij vind het arrogant om uitstervende soorten te redden, dat alle soorten gewoon verdwenen zijn door de natuur en dat de mens daar niet verantwoordelijk voor is. Laat de natuur met rust. Mensen die de planeet willen redden vind hij arrogant. Dat die mensen dat alleen maar doen om zelf in een veilige, prachige, mooie, natuurrijke bubble te kunnen leven. Er is niets mis met de planeet, only the people are fucked. De planeet is eeuwig, de menheid is tijdelijk. Het systeem is zelfcorrigerend. Hoe vernietigend Carlin ook spreekt over de aarde, de mensheid, over systemen, en de maatschappij, gaat er iets troostends uit van zijn woorden. Op een bepaalde manier geeft hij ons hoop. We zijn hier maar tijdelijk. Maar we moeten ons wel bewust zijn dat we constant voor de gek gehouden worden. Als je daar van uit gaat is er niets aan de hand.

Bill Hicks – Rant In E Minor (1997)

Rant In E-Minor is pas uitgebracht na de dood van Hicks. Het zijn opnames van een optreden toen de man al zwaar ziek was. Wat niemand wist. Rant in E-Minor is nogal zwartgallig, luisterd als een beproeving waarin Hicks de onderste steen boven water haalt en waarmee hij iedereen vervolgens vermorzeld. Hij is kwaad, bitter, schreeuwd, is agressief en is intens. Hij laat niets van iemand heel. Hij beledigd constant. Iedereen. Hij doet dat op de meest groffe manier. Billy Ray Cyrus, Michael Bolton. Patrick Duffy, Tony Danza, Willy Nelson (Save Willie). Alsof hij ze een klap in het gezicht geeft, op ze gaat stampvoeten, en dan als toetje de meest hatelijke teksten van een half uur op ze gaat botvieren. Niets en niemand ontsnapt. Hollywood, religie (Waco, The Pope, Chrstianity, Seven Seals), drugs (Time To Evolve), commercials (Orange Drink), miltairen, politiek (Deficit, Rush Limbaugh, One of the Boys). Volgens Hicks is iedereen slecht en daarom mag hij ze dat in hun neus wrijven. Iedereen haat elkaar toch al. Dus wat maakt het uit. Zelf een zware roker haat Hicks vooral niet-rokers. In zijn ironie lacht hij iedereen uit. Fundamentalisten, republikeinen, andere gekken zoals hijzelf. Hij realiseert zich dat de wereld eigenlijk niet te redden is. Omdat hij de wereld haat. Letterlijk. Alles is een illusie. Het leven is zowiezo een droom. De economie bestaat niet. Iedereen wordt elke dag voor de gek gehouden. Vergeving is daarom ook onzin. Hij spreekt over zijn obsessie over bekentenissen in een televisieprogramma van politieagenten. Hij maakt ze vervolgens met de grond gelijk. Hij vind ze huichelaars en hipokrieten. Hij is niet zozeer maatschappijkritisch maar gaat veel verder: hij vind juist alles normaal. Zo is het gewoon, volgens Hicks. De wereld is toch niet meer te redden. De meeste mensen zijn gewoon stom en achterlijk. Mensen willen dit. Als een bezetene schreeuwd hij Fuck Them all! Filthy Fucks! Liars! Liars! Liars! Hicks is kwaad op iedereen, hij heeft met niemand sympathie. You Fuckin Morons! beschuldigd hij. Niemans kan beter schreeuwen en grommen dan Hicks. Hicks beseft echter ook dat hij machteloos is. Niets heeft eigenlijk zin. Hij is een roepende in de woestijn. Niemand is een bedreiging, volgens Hicks. Rant In E-Minor heeft echter ook iets zalvends en troostends. In feite is hij vergevingsgezind (The Wizards Have Landed), maar eindigd maniakaal en is paranoide. Hij gunt iedereen zijn eigen stomme leven. Hij is daar pessimistisch over, maar hij accepteerd dat wel. Er kan toch niets veranderd worden. We worden allemaal gemanipuleerd. Zelfs Bill Hicks besefte dat. Uiteindelijk heeft hij begrip voor iedereen.

Eddie Murphy – Comedian (1983)

Wie kent Eddie Murphy niet? 48 Hrs., Trading Places, Beverly Hills Cop, Coming to America, The Nutty Professor, en Dolemite Is My Name. Om maar een paar films te noemen. Murphy is een van de meest bekende stand-up comedy artiesten met ook nog eens een grote filmcarriere. Comedian (ook wel bekend als Delerious) was Murphy’s stand-up comedy debuut en kwam nog uit voor Raw (1987). Opgenomen in Constitution Hall, Washinhton, D.C. Murphy waarschuwd iedereen die snel beledigd is onmiddelijk de zaal moet verlaten. En dat is aardig van hem, want hij beledigd zo’n beetje iedereen die je maar kunt bedenken. En dat alles in een heel hoog tempo. De ene grap na de andere grap. Je kunt het haast niet bijhouden. En hoewel hij zelf soms ook kwaad klinkt, kunt je onmogelijk kwaad worden op wat hij zegt. Op het moment dat hij zelf begint te lachen ben je verkocht. Hij neemt iedereen te kakken. Hij neemt geen blad voor de mond. Op Singers bijvoorbeeld, heeft hij het over Mick Jagger, Luther Vandross, Michael Jackson (Tino give me some tissue’s, Jermaine stop teasing), Elvis Presley (een perfecte imitatie), James Brown, en Stevie Wonder, en spaart niemand. Hierin kun je horen dat Murphy later in zijn carriere in films gespeelt heeft met verschillende rollen. Ontzettend knap. Het gaat hem heel gemakkelijk af. In Ice Cream Man/Shoe Throwin’ Mothers, maakt hij ijsverkopers, moeders en kinderen belachelijk. The Barbecue is hilarisch. Je ziet hem dat gewoon allemaal doen in een film. Hij is een soort koning van de verbeelding. Hij kan ontzettend snel omschakelen met zijn typische stemmetjes. Je ziet zo’n scene gewoon voor je ogen afspelen. The Fart Game gaat heel banaal over scheten, maar niemand kan dat beter verwoorden dan Murphy zelf (iedereen wil de stank van scheten van een ander altijd ruiken). Politics/Racism gaat voornamelijk over Jesse Jackson en ook weer over James Brown, over Slaves, Suck My Dick, Fuck off, Texas. Languages, laat nogmaals horen dat Murphy ook een groot acteur is en zelfs ook heel goed kan zingen. Comedian is vooral een rollercoaster van grappen dat eigenlijk veel te kort duurt. Op het moment dat je de laatste seconden hoort en het publiek Eddie! Eddie! Eddie! hoort scanderen, weet je, dat het nog wel een uur langer had mogen duren.

Jerry Seinfeld – I’m Telling You For the Last Time (1998)

Seinfeld is altijd mijn favoriete sitcom geweest. Een show over niets. De avonturen van Jerry en zijn vrienden waren bizar. Komische situaties over vreemd menselijk gedrag. Zelfs Friends haalt het niet bij Seinfeld. I’m Telling You For The Last Time is een stand-up comedy album van Jerry Seinfeld zelf. Natuurlijk kun je dit album niet vergelijken met de sitcom Seinfeld, hoewel er wel overeenkomsten zijn uiteraard. Je moet toch automatisch denken aan een hoop afleveringen. Die gingen ook over van alles en nog wat. Net als dit album. Maar dat maakt in dit geval niet uit. Dat is alleen maar prettig. Want Jerry Seinfeld is gewoon grappig. Punt! Opgenomen in the Broadhearst Theatre, New York City. Jerry maakt allerlei grappen, bijvoorbeeld over telefoons, taxichauffeurs, over vliegtuigen. Hij doet dit met een soort venijnige en sarcastische humor. Hij verteld over zijn eigen problemen in zijn dagelijkse leven, over alledaagse zaken waar iedereen mee te maken heeft. Florida, doet je denken aan een aantal afleveringen van Seinfeld, waar zijn ouders (Morty en Helen Seinfeld)) en die van George (Frank en Estelle Costanza) een tijdje woonden. De humor van Seinfeld is een beetje zuur af en toe, maar je weet altijd dat je precies zo denkt als hij. Je moet hem pas horen om te weten dat hij het precies bij het rechte eind heeft. Hij praat net zo lang door tot je overtuigd bent. Als je Haloween en Supermarkets (vergelijkt hij met casino’s, en gaat onderandere over de houdbaarheidsdatum van melk) hebt gehoord weet je dat. Seinfeld ziet iets, haalt zijn schouders op, maar denkt even later, wacht eens eventjes dat klopt niet. Waarom is dat? Waarom doen we dat? Hij vraagt zich dingen af, hij confronteerd zijn publiek daarmee. Hij heeft het over zijn eigen stommitieten, over zijn eigen dagelijkse typische gedrag. Hij beledigd niet. Hij weet gewoon dat iedereen hetzelfde is als hij. Dit doet hij ook in Drugstores en Doctors. En zo gaan de grappen maar door. Men & Women, McDonalds, Chinese People, Olympics, Croocs en Horses. Hij laat horen dat er geen ontsnappen is aan ons gezamelijke gedrag. Door I’m Telling You For The Last Time wil je meeteen weer naar een aflevering van Seinfeld kijken. En naar Seinfeld kijk ik altijd graag.

Hans Teeuwen – Dat Dan Weer Wel (2002)

Dat Dan Weer Wel was in 2001 het vierde theaterprogramma van Teeuwen. De CD werd in 2002 uitgebracht. Het is ronduit dol, dwaas en komisch. Ik kan er geen andere woorden voor verzinnen. Absurdistische teksten. Geweldige grappen. Hard! Scherp! Grof! Cynisch! Direct! Teeuwen spreekt de waarheid. Op een constant hoog niveau. Ik kan eigenlijk niet negeatief zijn. Teeuwen’s humor is gewoon subliem. Steekt de draak met vrouwen (wat zeg je allemaal met je verdachtmakingen. Nee schatje, jij zal zelf wel wat te verbergen hebben). Je blijft eigenlijk constant opletten (en toen zag ik een Maarsssss). In Literair café/Positief Denken wordt hij baldadig, wordt hij compleet waanzinnig, beledigd hij, wordt hij sarcastisch (als je een stoma hebt, je kan klagen, maar je kan ook denken, ja, maar ik krijg nu ook een hele mooie roze anus. En dat is ook wat waard. Een hele mooie roze anus. Dat dan weer wel). Ja, dat dan weer wel! Teeuwen komt met alles weg. Hij maakt zelfs zijn eigen publiek belachelijk (de wellust bij de staart gevat). Ronduit komisch (en jij speelt daarin?). Teeuwen overdrijft haast constant, zodanig zelfs, dat je moet denken, deze paljas (zo omschrijft hij zichzelf in het CD hoesje) moet je wel serieus nemen. Meester van Dijk, is een van de hoogtepunten (dat heb jij wel gezegt van Dijk). Middelbare school is hilarisch (en dat kon in die tijd helemaal nog niet, he! Spreekwoordelijke poppen. Wie maakt er een pak van lakens? Wie? Wie?) In Genie laat Teeuwen horen dat hij echt een genie is, dat gaat over het feit dat hij een genie is (ik voel me zo alleen! Ik kan me dat voorstellen, ja. Over een zin die nog nooit is uitgesproken? dat is gewoon uniek. Een pier dat is een goed woord). Van de hak op de tak? Hans zegt maar wat? Neen! Fistfucken! Teeuwen schopt iedereen tegen de schenen. Hij spaart niemand. De Jostiband, De bereden politie (het waren de hoefjes). Het afluitende Succes halen bestaat uit een dertien minuten durend applaus. Dat verdiend Teeuwen beslist. Dat Dan Weer Wel staat vol met hoogtepunten. En trouwens, Teeuwen kan nog piano spelen ook. Hatsi Flati Bots.

Richard Pryor – Is It Something I Said? (1975)

Live opgenomen in de Latin Casino, Cherry Hill, New Jersey. Is It Something I Said? bestaat uit elf nummers en zijn soms erg komisch. Pryor zegt soms dingen waarbij hij zich soms ongemakkelijk voelt. Hij schroomt niet om het dan toch te zeggen. Met een aarzeling in zijn stem, met een soort snik, en raakt dan op stoom. Hij lacht om zichzelf. Maar hij lacht soms nog meer om belachelijke situaties in het dagelijkse leven. Met name als de onschuldige toeschouwer die per ongeluk in bepaalde situaties terecht komt. Dat is de kracht van Richard Pryor op dit album. Dat was altijd de kracht van deze man. Het gaat over zo’n beetje alles. Het gaat over seks, vrouwen, huisuitzettingen, misdaad, Richard Nixon, cocaine, heroine, geld, religie, kappers, gezin en ras. Hij is zelfkritisch, maar ook maatschapijkritisch. Hij heeft het over racisme, maar doet dat op een humoristische manier. Hij laat je nadenken door beeldig te kunnen vertellen. Hij maakt zich geen moment kwaad. Pryor is ook een groot verhalen verteller. Mudbone-Intro en Mudbone-Little Feets, laat horen dat hij ook een voorstreffelijk acteur was. When Your Woman Leaves You is een hoogtepunt. Heel komisch. Net als The Goodnight Kiss. Pas op het laatste nummer Our Text For Today begint hij te preken. Het publiek lacht maar hij is in feite doodserieus. Om alles samen te vatten: Is It Something I Said? is niet mijn favoriete comedy album, maar Richard Pryor is wel een van mijn favoriete acteurs/stand-up comedians.

Enya – Watermark (1988)

Er staan vier singles op dit album. Het bekendste is natuurlijk Orinoco Flow. Dit Celtic New Age album brengt je in hogere sferen. Mysterieus. Middeleeuwse mystiek. Spiritueel. Ongrijpbaar. Ondoorgrondelijk. Magisch. Maar soms is het net over de rand. En lijkt het wat kitcherig te zijn. Toch staan er wel een paar goede nummers op. Om er een paar te noemen: On Your Shore Gaat over Enya’s jeugd, over een strand in haar geboortedorp. Evening Falls Is een verhaal over een geest. The Longships. Gaat over Vikingen. Na Laetha Geal M’oige Gaat over Enya’s jeugd. De stem van Enya wordt als een soort muur van geluid gebruikt (Phil Spector) Mooi geproduceerd. Enya, Ierse naam Eithne Padraigin Ni Bhraonain, Engelse naam Enya Patricia Brennan, in een ver verleden lid van Clannad, heeft alle instrumenten zelf ingespeeld (zang, keyboards, synthesizer), met minimale hulp op sommige nummers van een paar andere muzikanten (Low Whistle, Uilleann Pipes, Clarinet, Rototom, Hand Drum en Handclaps). Alle teksten zijn geschreven door Roma Ryan, echtgenoot Nicky Ryan was een van de producers. Beste nummer is wat mij betreft Cursem Perficio, een wat Carl Orff achtig nummer.

Norah Jones – Come Away With Me (2002)

Norah Jones is de dochter van Ravi Shankar. Come Away With Me is haar debuutalbum. Jones heeft een prachtige warme en sensuele stem. Het klinkt allemaal nogal ingetogen en intiem. Hoewel uitgebracht door Blue Note is Come Away With Me geen typisch Jazz album. Het hinkt er een beetje tegen aan. Het heeft ook duidelijke Pop en Folk invloeden. Jones wordt op dit album begeleid door een paar bekende sessiemuzikanten zoals Adam Levy, Adam Rodgers, Tony Scherr, Kevin Breit, Brian Blade, Dan Rieser, Kenny Wollesen, Bill Frisell, en nog een paar anderen. Frisell speelt gitaar op The Long Day Is Over. Twee nummers zijn geschreven door haar vaste bassist Lee Alexander Seven Years, Feelin’ The same Way en Lone Star. Don’t know Why, het meest bekende nummer van dit album is door haar vaste gitarist Jesse Harris geschreven. Verder staat er ook nog een Hank Williams cover op Cold Cold Heart. Genoeg talent dus verzamelt. Om nog iets negatiefs te noemen. Maar een paar nummers zijn door Jones zelf geschreven Come Away With Me en Nightingale. Dat is misschien wat mager voor deze zangeres en pianist, die ten tijde van dit debuut maar ook van haar tweede album, behoorlijk populair was. Haar moeder heeft als concert promoter waarschijnlijk een grote invloed op dat success gehad. Ze was duidelijk de It-Girl of the Moment, ze was dat breekbare mooie buurmeisje dat je kon betoveren met haar mooie stem. Maar het is allemaal toch wat te onpersoonlijk. niet diepgravend genoeg, te algemeen. en zeker niet vernieuwend. Lounge. Achtergrond muziek. Maar wel muziek waarbij je je prettig voelt.

Tim Hecker – Konoyo (2018)

Op het openingsnummer This Life zwemmen de walvissen je meteen al tegemoed. Het geeft de sfeer een beetje aan van dit Ambient Electronic album. Het is alsof je de oceaan in bent gegooid en in het perfecte heldere water de pracht en praal van de natuur mag bewonderen. Het album combineerd elektronische ambient met traditionele Japanse Gagaku muziek (een Aziatische muziekvorm al dertienhonderd jaar oud), van ensemble Tokyo Gakuso, en maakt veel gebruik van wind- en percussie instrumenten. Als je ergens zen van wordt is het wel hiervan. De zeven nummers op Konoyo (gedeeltelijk opgenomen in een Mandala klooster in Kanzouin, Nerima-Ku Tokyo) hebben haast een religieuze schoonheid en verdieping. In Keyed Out, het vierde nummer, ontdek je de stilte in je ziel, waarin alle overbodige ballast uit je lichaam ontsnapt. Het is een bevrijding. Geluiden van walvissen komen ook hier weer om de hoek kijken. In Mother Earth Phase, A Sodium Codec Haze, Across To Anoyo, Het is een prachtige muzikale soundtrack over alle onaangeroerde verschijningsvormen hier op onze planeet.

Mark Pritchard – The Four Worlds (2018)

The Four Worlds (Ambient Techno) van Mark Pritchard bevat acht nummers en is een avontuur. Deze acht nummers zijn een soort van boodschap aan het menselijke ras. Het is alsof deze muziek je antwoord wil geven op elke vraag die je je maar voor kunt stellen. Het begint met het meer dan elf minuten durende Glasspops, wat mij betreft meteen een van de beste nummers van dit album. Het zet meteen de toon van dit sciencefiction achtige werk. Het heeft een prachige onderliggende synthesizer. Op Circle of Fear hoor je een repeterende piano, alsof je in The Twilight Zone terecht bent gekomen. Come Let us, is intrigerend, waarop een sample wordt gebruikt van Gregory Whitehead’s (Engelse radio artiest) cassette Disorder Speech (“come let us build ourselves a city, and a tower with it’s top in the heavens”). Het doet ook een beetje denken aan Twin Peaks van Angelo Badalamenti. The Arched Window, maakt je unheimlich en geeft je een verloren gevoel, alsof je voor het eerst je ogen open doet en de planeet aarde vanuit de ruimte in verwondering gade moet slaan. Het vijfde nummer S.O.S., is een goddelijke boodschap van de Space Lady (Susan Dietrich Schneider, Amerikaans straatartiest en outsider) aan het gehele menselijke ras. Het doet echter een beetje denken aan O Superman van Laurie Anderson. Maar desalniettemin toch mooi. Parkstone Melody II, klinkt als een voorwerp in de ruimte, het is spooky en angstwekkend, en lijkt het geluid te zijn van totale vernietiging op weg naar het laatste leven denkbaar. Men-an-Tol is een openbaring van zo’n beetje alles, het verklaart het bestaan en probeert het begrijpbaar te maken. Tenslotte het laatste nummer The Four Worlds, is leegte in ruimte en tijd. Het luisterd als het complete niets, het perfecte alles; als het begin, het einde en kent geen grens. Het is groter dan het allergrootste. Het is allesomvattend en is een boodschap aan het complete universum. The Four Worlds zou je zomaar als een muzikale versie van 2001; A Space Odyssey van Stanley Kubrick kunnen beschouwen. Maar ook als een Ambient versie van 2112 van Rush. In zijn simplisme is dit complexe muziek. Mooi uitgevoerd. Spannend en interessant. Je zou zomaar in de vier werelden van Pritchard kunnen gaan geloven.

Gas – Rausch (2018)

Gas (Wolfgang Voight) komt uit Duitsland en maakt Ambient Techno. Rausch klinkt als een belevenis. Het bestaat in feite uit een lang muziekstuk dat opgedeeld is in zeven nummers A, B, C. D, E, F en G, en dat je in een sessie achter elkaar moet beluisteren. De gedachte achter dit album is dat je in de avond naar een bos moet gaan, veel LSD moet gebruiken, de nacht daar moet doorbrengen, en in de ochtend, om een uur of elf, weer gelauterd als een nieuw mens naar huis moet gaan. En natuurlijk naar Rausch moet luisteren. Ik kan me wel voorstellen dat dat een hele ervaring is. Dus koop een tent, koop wat proviant, trek het bos in, en luister naar Rausch. Wolfgang Voight zelf kan er over mee praten. Dat heeft hij zelf namelijk ook gedaan (Konigsforst bij Keulen). Rausch klinkt betoverend. Alsof je in een droom bent terecht gekomen. Met een beetje verbeelding zie je allerlei kabouters, kobolten, elfjes en trollen aan je voorbij trekken. Allemaal even vriendelijk. Je kunt jezelf in deze muziek verliezen, je kunt er de schoonheid van in zien. Het schimmenrijk kan nooit ver weg zijn. Als je je verblijf in dat bos nog wat langer weet te verlengen, en de zon in de ochtend door de takken heen begint te schijnen, weet je dat je iets onvergetelijks hebt meegemaakt. Maar waarschijnlijk ben je dan lichamelijk helemaal kapot. Al vanaf B weet je dat er geen weg meer terug is, en weet je dat je deze ervaring moet doorstaan, en vanaf D begint het echt te spoken. Dat hele grote donkere bos lijkt dan tot leven te zijn gekomen, blijkt het als geheel zelf een levend organisme te zijn. Je hoort het kloppen van een hart, en je staat geheel in verbinding met de natuur. Het begint te waaien, de mieren, wormen, de kakkerlakken beginnen om je heen te bewegen. De eenzaamheid slaat toe. Je realiseert je dat je in een nachtmerrie terecht bent gekomen, dat dat bos je vijand is. Uiteindelijk is het de keuze van de luisteraar zelf om daar onderdeel van te willen zijn. Of je blijft, of je wilt ontsnappen uit deze omgeving. Rausch klinkt betoverend en vijandig tegelijk. Je weet dat je ooit weer terug moet keren naar de bewoonde wereld, weg uit deze zelf gecreeerde droom. Laat dat bos alsjeblieft met rust!

Sibongile Khumalo – Quest (2002)

Zuid-Afrikaanse Vocal Jazz. Khumalo is een grootheid in Zuid-Afrika. Geboren in Soweto. Heeft ook een Opera achtergrond (Carmen, Aida en Il Trovatore0). Ze is een producer. Heeft talloze prijzen gewonnen. Heeft een eigen platenlabel Ze heeft opgetreden met Hugh Masekela, heeft opgetreden in The Royal Albert Hall, The Royal Festival Hall en in Ronnie Scott’s Jazz Club. Heeft opgetreden op Nelson Mandela’s vijfenzeventigste verjaardag. Dit album bestaat uit elf nummers. Hoogtepunten zijn Lomathafa, Xolo Moya, Khumbula, Thetha Wathula Nje, en Mina Nawe. Jazz meets Zuid-Afrikaanse Tradities en ook een beetje Opera.

Madredeus – Os Dias Da Madredeus (1987)

Melancholische weemoed. Traditionele Portugese muziek, Folk, Fado, en ook met Braziliaanse invloeden. Madredeus (vernoemd naar de wijk waar ze dit album hebben opgenomen) is een ensemble uit Lissabon Portugal, en is een beetje een buitenbeentje in het Fado genre. Er wordt gebruik gemaakt van klassieke gitaar, keyboard, synthesizer, viool, cello en accordeon. Met name gitarist Pedro Ayres Magalhaes, accordeonist Gabriel Gomes en zangeres Teresa Salgueiro overtuigen op dit album. Als je hiernaar luisterd bekruipt je een gevoel van heimwee naar een plek en een tijd waar je nog nooit bent geweest. De muziek en vooral de stem van zangeres Teresa Salgueiro geeft je een blij gevoel, maar ze confronteerd je ook. Ze doet je verlangen naar je eigen jeugd en ze geeft je het gevoel dat je toekomst voor altijd onzeker zal zijn. As Montanhas, het openingsnummer, is mistroostige ontroering. Je kunt er somber van worden. Maar er blijft altijd hoop. A Cantiga Do Campa is ook zo’n voorbeeld en is werkelijk prachtig. Nostalgische schoonheid. Het is een poetische schreeuw en ingehouden verdriet. Het is leed en kommer en kwel met veel emotionele diepgang. En ook Fado Do Mindelo is hartverscheurend, het kan je zelfs laten huilen. Het is een levenslied in de letterlijke betekenis. Het neemt het wereldleed op ieders schouders. A Marcha Da Oriental. Het maakt je triest. Maar daarin wil je absoluut verdrinken. A Cidade snijdt door je hart, alsof de zangeres je bij je strot grijpt en je probeert te vertellen: luister naar me, wordt wakker, kijk naar deze ellende en leer er iets van. Dit is de mensheid. Dit zijn wij, Ik ben jou! Maldito Dia Aziago en A Andorinha (instrumentaal) doet je realiseren dat je leeft. Het leven is een feest. O Brasil, ook een instrumentaal nummer, zegt als het ware, kom neem mijn hand en ik neem je mee. Het overtuigd. Os Dias Da Madredeus van Madredeus is ontroerend. Het is dan wel geen traditionele Fado, maar zeker de moeite waard om meer Fado in je hart toe te laten

Sarah McLachlan – Fumbling Towards Ecstacy (1993)

McLachlan is geboren in Halifax, Novia Scotia, Canada, en dit album zorgde voor de international doorbraak van McLachlan. Fumbling Towards Ecstacy is dromerige Soft Rock met eigenlijk twee opvallende nummers. Possesion (hiervoor is ze aangeklaagd door een fan) en Blue (op de versie die ik heb) van Joni Mitchell. Posession en Hold On zijn de twee singles van het album. Normaal gesproken men ik niet zo’n liefhebber van dit soort zangeressen. Ik weet niet precies waarom. Het heeft denk ik te maken met de manier hoe ze hun stem gebruiken. Het overdreven vibreren en het aanhouden van bepaalde noten. De nadruk leggen op iets en dat dan weer eindeloos gaan herhalen. Vaak heeft dat ook te maken met de tekst en ook hoe alles geproduceerd is. Een voorbeeld daarvan is Fear. Daarvan moet je als het ware naar het toilet. Maar op dit album ligt alles er net tegen aan. In haar voordeel wel te verstaan. Op de een of andere manier blijf je naar een enkel nummer op sommige momenten toch geboeid luisteren (meer kan ik er ook niet van maken). Want aan de muzikale begeleiding ligt het niet. Dat zijn allemaal goede muzikanten. Good Enough bijvoorbeeld bevat een mooie gitaarsolo van Bill Dillon. Jerry Marotta speelt drums (de broer van Rick Marotta). Producer Pierre Marchand speelt ook verdienstelijk meerdere instrumenten. Van de dertien nummers op dit album zijn er drie of vier boeiend, de rest is overdreven emotionele onzin in de trant van “Ach, alsjeblieft blijf bij me. Ga niet weg, Alsjeblieft. Ik kan niet zonder je. Je bent mijn zon. Laten we de donkere wolken verdrijven. Dat maakt alles veel beter. Ja, de wereld is van ons.” En misschien ben ik dan nog te positief en is alleen Blue van Mitchell interessant.

Moby – Play (1999)

De kracht van Play is dat het zo afwisselend is. Dat heeft mede het succes bepaald van dit best verkochte electronische album allertijde (in ieder geval van de jaren negentig van de vorige eeuw). Een andere reden voor dat succes is dat er een hoop nummers zijn gebruikt voor reclamedoeleinden. Natuurlijk staan er heel wat samples op (afkomstig van Alan Lomax’ verzamelbox Sounds of the South: A Musical Journey from the Georgia Sea Islands to the Mississippi Delta), maar in dit geval werkt dat prima. Die samples zijn absoluut een verrijking. Play is een uiterst genietbare ervaring. Het is muziek voor allerlei soorten stemmingen. Bij een hoop nummers kun je lekker wegdromen, stemt het je tot nadenken, en zet deze muziek je leven in perspectief. Ik kan eigenlijk geen zwakke nummers opnoemen. Niet voor niets staan hier heel wat hits op (acht singles zijn er van dit album uitgebracht waaronder Porcelain, Find My Baby, Honey, South Side en Natural Blues). Moby is een onzichtbare superster. Hij is een dirigent, zorgt voor moodswings, hij geeft je alles. Maar hij pakt alles ook weer van je af. Hij is een held die je meeneemt naar hogere sferen. Maar wanneer Moby klaar met je is ben je een ander mens. Dan ben je een hele ervaring rijker, en heb je wat van hem geleerd. Hij geeft je een les voor het hele leven. Play is geschikt voor elk feestje, ook voor feestjes die je in je eentje viert. Voor de afwas bijvoorbeeld die je met de hand moet doen. Het geeft je energie. Het brengt je tot rust. Het vreemde van Play is dat er hoewel gebruik wordt gemaakt van samples, dat het een volstrekt eigen geluid heeft, ondanks dat er verschillende stijlen op staan zoals Blues, Folk, Gospel, Hip-Hop, Disco en Techno. Run On is bijvoorbeeld een hoogtepunt. Net als Everloving (mooie akoestische gitaar) en Guitar, Flute & String, My Weakness en vooral Why Does My Heart Feel So Bad. Je bent haast geneigd te denken dat Moby een merk is. Maar dat is een misverstand. Moby is een fenomeen! Een fenomeen echter net niet uniek genoeg!

Spock’s Beard – Snow (2002)

Amerikaanse Neo-Prog uit 2002. Het zesde album van Spock’s Beard. Geproduceerd door Neal Morse en de band zelf in de Lawnmower and Garden Supply in Pasadena. Snow is het laatste album waarop een van de twee Morse broers te horen is. Neal Morse zou de band na dit album verlaten. Net als Subterranea van IQ is dit een dubbelalbum (zesentwintig nummers) en een conceptalbum (gaat over een albino met speciale gave’s die allerlei avonturen beleeft). En ook met dit album zijn er mensen die de vergelijking met The Lamb van Genesis en The Wall van Pink Floyd maken. Maar eerlijk gezegd is de muziek grotendeels saai: ondanks dat ze voor Prog Rock gebruik maken van alternatieve instrumenten als viool, viola, cello, saxofoon, clarinet, autoharp, flugelhorn en trompet. Als ik dit album dan toch ergens mee moet vergelijken dan alleen met Subterranea van IQ. En ook weer met Brave van Marillion. En ook dit album is te lang. Ook dit album hadden ze beter op een enkele CD uit kunnen brengen. Al met al een aardig album, met een paar sterke nummers (Looking for Answers, All is Vanity (Fifth to Fifth van Genesis en Emerson Lake & Palmer), Open the Gates part 2, Devil’s Got my Throat, Ladies and Gentlemen (ook ELP) en Wind at my Back), wel iets beter dan Subterranea van IQ, maar niet meer dan dat. Gelukkig hebben ze ons een film bespaard. Al weet je dat maar nooit.

IQ – Subterranea (1997)

.

Engelse Neo-Prog uit 1997. Het zesde album van IQ. Zelf geproduceerd door gitarist Mike Holmes van de vijf leden tellende band. Subterranea is een negentien nummers tellend dubbelalbum en een conceptalbum (kort samengevat over een man die z’n hele leven gevangen zit in een cel en waarmee een experiment wordt gedaan door hem los te laten in een voor hem vreemde wereld, zonder dat hij weet dat het een experiment is). Door velen beschouwd als hun beste album, en door sommigen vergeleken met The Lamb Lies Down On Broadway van Genesis. Maar daar moet je wel een beetje je bedenkingen bij hebben. Al heeft het zeker overeenkomsten. Maar wat mij betreft wat meer met Brave van Marillion dan met The Lamb van Genesis. En soms moet je ook denken aan Pink Floyd en The Alan Parsons Project. Het begin van Infernal Chorus lijkt sterk op Nude van Camel en ook op Watcher Of The Skies van Genesis. De nasale stem van zanger Peter Nicholls is overigens prettig om naar te luisteren, net als die van Gabriel en Fish. Subterranea kent wel een paar hoogtepunten zoals Unsolid Ground, Tunnel Vision, Failsafe, Capricorn en Speak My Name. Sommige nummers zijn bombastisch, poetisch, emotioneel. Als je er een paar keer naar geluisterd hebt, raakt het je en wil je de teksten lezen, en wordt je wel zeker meegetrokken in het verhaal. Zelfs het twintig minuten durende epische The Narrow Margin is intrigerend, het houdt zeker je aandacht vast en laat horen dat het uitstekende muzikanten zijn. In 2015 is Subterranea verfilmd (een verschrikkelijke film), en het is dus bepaald geen The Wall geworden. Dit album is dan ook geen meesterwerk, maar het is wel prima muziek. Maar eigenlijk had het geen dubbelalbum hoeven te zijn. Het had geen honderd minuten hoeven te duren.

Ade Olumoko and African Spirit – Yaruba Apala Music (2002)

De Yaruba is een etnische groep (vierenveertig miljoen mensen) uit voornamelijk Nigeria en Benin. Ze hebben een eigen taal, een eigen religie, en een eigen scheppingsverhaal. Er zijn o.a. gemeenschappen in Cuba en Brazilie die afstammen van de Yaruba. Ook heeft het taalkundige verbanden met het oude Egypte (de woorden Amon en Thot komen voor in de Yaruba taal). Afkomstig uit de Yaruba Apala traditie uit Nigeria, Ade Olumoko (echte naam is Adegboyega Orisakunle) and African Spirit maakt op zich best wel interessante muziek. Het is opzwepend, je kunt er door in extase geraken. Op het album staan dertien nummers. Ofewa (Love Us) heeft bijvoorbeeld een hoog religieus gehalte, en Alentere is een recitatie over sociale ongelijkheid. Yaruba Apala Music is een Live Album opgenomen in The African Shrine in Lagos. De instrumenten die hierop gebruikt worden zijn allemaal slaginstrumenten zoals sekeres, drums en percussie. Maar het is allemaal toch iets minder aansprekend dan bijvoorbeeld de Juju Music van King Sunny Ade en de Afrobeat van Fela Kuti. Ik kan niet zeggen dat er bepaalde nummers goed of minder goed zijn. African Spirit bestaat op dit album uit veertien muzikanten. Met deze muziek valt er letterlijk een wereld te ontdekken.

Kula Shaker – Peasants, Pigs & Astronauts (1999)

Wat moet je er van zeggen? Soms kan het wel eens mis gaan. Het probleem met Peasants, Pigs & Astronauts is niet zo zeer dat dit alleen maar een slecht album is, nee, het probleem is juist dat het ook een interessant album is. Het is interessant om te weten waarom dit een slecht album is. Het is een voorbeeld van hoe iets goed bedoeld kan zijn, helemaal verkeerd kan uitpakken. Want dat is namelijk het geval.Het is te groots, het is over de top, megalomaan, overgeproduceerd, pretentieus, nep. Het probeert van alles te zijn, maar het is in feite niets. Het zit vol met cliché’s. Verander de wereld en begin met jezelf. Alle ellende op de hele wereld is voor iedereen even verschrikkelijk. Maar alles zal goed komen. Hosannah! Lang leve Kula Shaker. De band heeft goed geluisterd naar The Beatles, naar Jesus Christ Superstar, naar alle psychedelische muziek uit de jaren zestig, maar blijkt er niets mee gedaan te hebben: het is een soort kruidig en pittig sausje op een bord met bedorven spaghetti. Het gaat alleen maar om de vorm en niet om te inhoud. Je kunt er niets mee. Schaamteloos jatwerk! Spirituele onzin! Psychedelische nep! Mumbo Jumbo! Het is een universele liefdesverklaring zonder substantie. Het blijft allemaal niet hangen. Kula Shaker is zelf de weg kwijt. Een paar liedjes zijn wel aardig. Shower Your Love, 108 Battles (Of the Mind) en Last Farewell. Al die andere nummers kun je rustig vergeten.

Devendra Banhart – Oh Me Oh My (2002)

Barnhart heeft een hartverscheurende en rauwe stem die door je ziel snijdt. De kracht van dit album is dat het je laat zinken in een diepe afgrond, dat het je laat dwalen in een eindeloze donkere tunnel, en dat het je een spiegel laat zien in de diepste krochten van je ziel. Maar dat er altijd weer een mogelijkheid is dat je daar weer uit kunt komen. Vaak zijn dat bizarre ideeen en korte geluidsfragmenten. Soms met prachtig gitaarspel. En vaak met een prachtige stem. Soms denk je dat hij compleet gek is, dat hij door waanzin wordt gedreven, dat hij het niet meer onder controle heeft. Maar soms denk je ook dat hij maar doet alsof. De man heeft absoluut iets ontroerends, en is absoluut authentiek. Hij is een man in een oude ziel, een moderne Don Quichot, die de wereld in z’n eentje wil bevechten, en beschouwd die wereld als een wonder, die geleeft moet worden en ontdekt. Zijn observaties zijn interessant, maar vaak ook te vluchtig. Het zijn allemaal korte fragmenten en bizarre gedachten, die bij elkaar gehouden worden door zijn observeringsvermogen. Maar op het moment dat je denkt dat deze nummers niet goed zijn uitgewerkt, besef je dat dit Freak Folk is. Dit is allemaal de bedoeling, de man doet alles met opzet. Op het album staan tweentwintig nummers. Beste nummers zijn Roots, The Charles C. Leary, Cosmos and Demos, Soon Is Good, Tell Me Something, A Gentle Soul, Happy Happy Oh en Marigold. Banhart speelt op dit album alle instrumenten zelf.

Trentemoller – The Last Resort (2006)

Ambient Techno! Afkomstig uit Kopenhagen. Denemarken. Anders Trentemoller’s debuutalbum is een goed voorbeeld van hoe je een perfecte sfeer kunt creeren. Het is een ambiente muur van geluiden, sfeerimpressies, soundscapes, en technologische en ritmische collages van muziek. Het zijn voornamelijk Downtempo stukken om te chillen thuis voor op de bank, en geeft je een soort van rustgevende gelukzaligheid. Melancholische muziek dat je zeker ook kan ontroeren, met een lekker glaasje wijn en Franse kaas in je prachtige mooie moderne woning. En zeker ook geschikt voor op de dansvloer, kun je er in hogere sferen door geraken zonder er ook maar een genotsmiddel voor te hoeven gebruiken. De dertien nummers op The Last Resort lopen feilloos in elkaar over en zijn volstrekt in balans met elkaar. Het prikkelt je fantasie. Je hoort niet alleen geluid maar je ziet er een hele kosmos achter liggen. Het opent als het ware de weg naar je innerlijke bewustzijn. En soms heb je het idee dat The Last Resort een sountrack van een film zou kunnen zijn. Een mooi voorbeeld is The Very Last Resort, waardoor je een zekere spanning voelt ontstaan tussen het werkelijke en het denkbeeldige. Het is haast ongrijpbaar. Een ander voorbeeld is Snowflake, waardoor je met jezelf down to earth komt, met je beide voeten op de grond. Into The Trees is elektronische dans muziek in een verstilde vertraagdheid, dat langzaam overgaat in een nieuw soort bewustzijn van levenskracht, en vervolgens weer eindigd in een soort van rustgevendheid. Het hele album is eigenlijk betoverend. Je kunt je er in verliezen. Maar Miss You, het laatste nummer, maakt je net op tijd weer wakker om eindelijk die afwas maar te doen. Blaas alsjeblieft de kaarsen uit, doe de plafondverlichting maar weer aan. Het is weer tijd om uit deze muzikale verneveling te komen. Morgen moet je weer naar je werk.

William Basinski – The Disintegration Loops I (2002)

Dit is in feite het eerste deel van vier CD’s (I,II,II,IV) die Basinski zou uitbrengen als The Disintegration Loops in 2002 en 2003, als vier losse albums. Het zijn oorspronkelijke tapes uit 1982 die jaren later gedigitaliseerd zijn. Wat je hoort kun je niet anders dan in verband brengen met 9/11. Op het moment dat Basinski op het dak van zijn appartement in Brooklyn naar deze tapes uit ’82 luisterde vond de aanval plaats, de hoes van het album is de skyline van New York en laat de instorting van het World Trade Center zien. Het is een foto van Basinski zelf. Met dit alles in gedachte is deze muziek ronduit huiveringwekkend. Je ziet alles opnieuw gebeuren. Het album, wat het best te omschrijven valt als een soort van Minimal Techno, heeft absoluut een transcendentisch effect op de luisteraar. Het geeft troost aan iedereen die bij de aanslag is komen te overlijden, en het laat horen dat je met een minimaal effect het maximale kunt bewerkstelligen: het werkt op je zenuwen, in de positieve zin van het woord. Basinski’s album (zelf geinspireerd door Steve Reich en Brian Eno), bestaat uit 2 stukken, dlp 1.1 en dlp 2.1, en duurt meer dan zeventig minuten Het is alsof de tijd stil staat, dat het onvermijdelijke zich absoluut gaat afspelen, alleen weet je niet wanneer. Het geeft een duister en onheilspellend gevoel. Je moet er geduld voor hebben, De muziek is volstrekt eentonig, maar daar ligt meteen de schoonheid ook in. Het is een pastorale echo. Het blijft in je hoofd zitten, en al voordat deze echo is verdwenen begint het alweer opnieuw, als een oneindige loop. Het stopt niet. Je vergeet het je te herinneren. Het is een soort van eentonigheid dat zonder dat je het in de gaten hebt heel langzaam veranderd, maar als je dieper graaft, kom je er achter dat het verschuift. Het veranderd constant. Het is een vertraging van het moment. Emotioneel zonder emoties. Je moet als het ware stil blijven zitten, niet bewegen, en wachten op je beslissing wat je volgende gedachte zal zijn. Maar na zo’n dertig minuten kom je er achter dat er nog steeds niets is gebeurt, dat je nog steeds aan het begin bent, maar dat alles om je heen wel is veranderd maar dat je zelf niets bent opgeschoten. Deze muziek geeft je iets. Troost en rust. Het is de kracht van de herhaling! De kracht van de herinnering! Troost aan iedereen.

Fugees – The Score (1996)

Net als op veel andere Rap/Hip Hop albums kom je oren te kort. Alles komt van alle kanten. Je wordt heen en weer geslingert van indrukken naar observaties, van verbazing naar herkenning, en van afkeuring naar verwondering (niet te verwarren met bewondering). Je kunt niet ontkennen dat dit een invloedrijk album is in het Hip Hop genre, en het heeft veel prijzen gewonnen. Maar het album is niet veel beter of veel slechter dan The Miseducation of Lauryn Hill, zoals eerder besproken. Het is misschien wat avontuurlijker en afwisselender, meer zal het niet schelen. The Fugees gebruiken veel samples op dit album. Ik ben persoonlijk geen fan van artiesten die samples gebruiken. Ik vind het vaak te gemakkelijk, maar goed, soms werkt het. Maar in feite wordt je voor de gek gehouden. Dit album vertelt echter wel degelijk een verhaal. Om met de deur in huis te vallen: het titelnummer The Score kan me niet te boeien, het is wat zeurderig en afstandelijk. Maar verder komen er een aantal aardige nummers voorbij, zoals Ready Or Not, The Beast (best wel humoristisch), Fu-Gee-La, (klinkt lekker), Family Business (lekkere flow), Killing Me Softly With His Song (kun je als een cover beschouwen, maar waar ook een paar samples in zitten van Little Feat en The Moody Blues), Cowboys (ook een lekkere flow) en No Woman No Cry (hier geven ze er een eigen draai aan en is misschien wel het hoogtepunt van het album), Manifest/Outro (woede gecombineerd met humor en relativering), en tenslotte Mista Mista (emotie). Al met al, het is zeker geen slecht album, en je kunt er ontegenzeggelijk iets positiefs uit halen, maar zoals met veel Hip Hop ariesten, heb je altijd het idee, ga dat allemaal toch eens zingen inplaats van rappen. Wat mij betreft maakt dat veel meer indruk.

Crazy Horse – Crazy Horse (1971)

Crazy Horse zonder Neil Young, Dit album is opgenomen na Everybody Knows This Is Nowhere (1969) en After The Goldrush (1970) van Neil Young & Crazy Horse. Crazy Horse bestaat uit Ralph Molina, Billy Talbot, Jack Nitzsche, Danny Whitten en Nils Lofgren. Dit zou het laatste album zijn van Danny Whitten. Lofgren zou de band na dit album alweer verlaten. Ry Cooder is op drie nummers te horen als sessiemuzikant. Het album is geproduceerd door Jack Nitzsche en Bruce Botnick. Nitzsche speelt op dit album ook piano. Als je naar Crazy Horse luisterd kom je er achter dat het eigenlijk niet een heel sterk album is. Het mist zeggingskracht. Dit komt voornamelijk omdat je het automatisch toch een beetje gaat vergelijken met wat Whitten, Talbot en Molina eerder met Young hebben gedaan. Je mist eigenlijk de stem van Young. Maar misschien is dat ook niet helemaal eerlijk. Er staan maar een paar interessante nummers op. Om er een paar uit te lichten: Dead Gone Train staat als een huis en is geschreven door producer Jack Nitzsche en Russ Tittelman. Dance, Dance, Dance (Neil Young) is ook goed. Look At All The Things is teleurstellend en minder aansprekelijk, net als Beggars Day. Deze nummers missen een ziel (Young) en zijn daardoor minder opvallend. I Don’t Want To Talk About It, misschien wel het meest bekend van Rod Stewart, is geschreven door Whitten, en is ronduit vervelend. Downtown is dan weer het beste nummer, is geschreven door Whitten en Young ((is ook te horen als (Come On Baby) Let’s Go Downtown op Tonight’s The Night)). Kortom, het hele album is wat teleurstellend. Ik ben een groot fan van Neil Young en vind eigenlijk alles goed wat hij ook met Crazy Horse heeft gemaakt. Maar op dit album staan zoals gezegt eigenlijk maar een paar interessante nummers. Ondanks Cooder, Lofgren en Jack Nitzsche en dankzij Neil Young! Dat laatste zegt helaas meer dan genoeg. Want aan de muzikanten zelf ligt het niet. Niet voor niets is Crazy Horse een uitstekende begeleidings band van een solo artiest. Maar is dit album toch een beetje te magertjes.

Reef – Glow (1997)

Er staan vier singles op dit album: Place Your Hands, Come Back Brighter, Consideration en Yer Old. Brit Pop uit de jaren negentig! Glow is co-geproduceerd door George Drakoulias (The Black Crowes, The Jayhawks). De elf nummers op dit album doen soms sterk denken aan The Black Crowes en vooral ook aan Soundgarden (Place Your Hands, I’m Not Scared, Robot Riff en Yer Old en Lullaby). Hoewel zanger Gary Stringer een prettige stem heeft, denk je soms Chris Robinson van The Black Crowes te horen en de zanger van Soundgarden. Zal Drakoulias daar mede een aandeel in hebben gehad? Ik denk het niet. Maar toch! Dit is niet echt een slecht album. Er staan geen echte zwakke nummers op, en behalve Place Your Hands, ook geen echte uitschieters. Je hoort lekkere vette riffs en de muziek is in het algemeen meeslepend. Maar het grootste minpunt van Glow is dat je constant het gevoel hebt, dat je dit al eens eerder hebt gehoord. En dat is de grootste zwakte van dit album. Het missen van een eigen geluid! Op zich is dat geen schande. Vaak verkoopt dat goed, vaak is dat ook eerder gedaan, en ook hoeft dat de kwaliteit van de muziek niet in de weg te zitten. Maar helaas, Glow schijnt niet. Het is geen nieuw licht in de duisternis.

Ryuichi Sakamoto – Heartbeat (1991)

Ik weet niet niet meer hoe ik Sakamoto heb leren kennen. Was het nu door zijn rol in Merry Christmas Mr. Lawrence? Of door Forbidden Colours met David Sylvian? In iedergeval heb ik dit album gekocht naar aanleiding van deze film en deze muziek. Een eeuwigheid later overigens, ergens in de jaren negentig (ik moet denk ik hebben gedacht dat het op Let’s Dance van Bowie en Brilliant Trees van David Sylvian uit ’83 en ’84 zou lijken – vraag me niet waarom). Maar dit album is anders dan ik dacht. Het stelt teleur. Sakamoto ooit lid van Yellow Magic Orchestra, heeft onnoemlijk veel gemaakt. Hij is componist van een hele hoop films als The Last Emperor, The Revenant en The Sheltering Sky. Heartbeat is echter Downtempo. Je moet er voor in de mood zijn, en dan nog heb je zo je bedenkingen. Wel kun je zeggen dat Heartbeat afwisselend is, met Japanse, Braziliaanse, Franse en Afrikaanse invloeden. Sommige nummers zouden zomaar een Movie Sountrack kunnen zijn van een slechte B-Film. Het is magertjes – ondanks dat er een paar muzikale helden van me aan mee doen, zoals Youssou N’Dour, David Sylvian en Bill Frisell. Lulu, bijvoorbeeld, het vierde nummer is een beetje jazzy, en is een aardig voorbeeld wat dit betreft. High Tide had zomaar om Waltz Darling van Malcolm McLaren kunnen staan, en is misschien ook wel samen met Borom Call (Youssou N’Dour), en het titelnummer Heartbeat (Cage, Sylvian) en Cloud #9 (Sylvian) de beste nummers. Over het algemeen lijkt het alsof alles niet goed is uitgewerkt, waar te veel ideeen op staan, maar niet is afgemaakt. Misschien ligt het daaraan. Een tussendoortje van Sakamoto? Dit album is ongrijpbaar. Het is van alles wat. Maar alles net niet goed genoeg. Aan de oppervlakte schijnt het, maar daaronder zit niet veel.

Lauryn Hill – The Miseducation Of Lauryn Hill (1998)

Als je je een beetje verdiept in de geschiedenis en het persoonlijke leven van Lauryn Hill, denk je, jeetje wat een ellende. Een en al tegenslag voor deze voormalige zangeres van The Fugees. The Miseducation Of Lauryn Hill is nog steeds haar enige studio album, waarmee ze eigenlijk afrekent met haar verleden (de miseducation?) als zangeres van bovengenoemde groep. Op zich zijn sommige nummers best wel aardig en is het een redelijk album, dat een combinatie is van Rap, R&B en Neo Soul. Van de twaalf nummers op dit album, is het derde nummer Ex-Factor wel aardig, en schijnt te gaan over een voormalig lid van The Fugees. To Zion klinkt ook goed, maar dat komt misschien door het gitaarspel van Carlos Santana, die op dit album alleen op dit nummer meedoet. Dat is ook het geval met Doo Wop (That Thing). Superstar is ronduit zeurderig. Daarin zingt ze o.a. “music is to supposed to inspire” en ook “light my fire” (The Doors). Maar hierin is juist het tegenovergestelde te horen. Final Hour, het zevende nummer is dan wel weer sterk. Zoals op veel Hip Hop en Rap albums is er veel gepraat opgenomen tussendoor. Het zal allemaal wel. Maar soms pakt Hill je, en blijkt ze toch een mooie stem te hebben, maar dat is sporadisch. Het algemene beeld van dit album is vooral dat het nogal langdradig is, dat het een hele zit is. Emoties, problemen! Ze weet van geen ophouden. En om je aandacht vast te houden gaat ze maar weer een stukje zingen. The Miseducation Of Lauryn Hill is vooral vermoeiend.

Dream Theater – Awake (1994)

Dream Theater (LaBrie, Portnoy, Moore, Myung, Petrucci) is Progressive Metal. Awake bestaat uit elf nummers. Awake is de opvolger van het succesvolle Images and Words album (1992). Van hun label East West Records kwamen ze onder druk te staan om meer radio vriendelijkere albums te maken. Awake klinkt echter heel anders dan Images and Words. Donkerder en duisterder. Opnamesessies vonden plaats in One On One Studios in New York, overdubs in Devonshire Studios, Los Angeles, en is gemixt in Unique Studios, New York. Het album is geproduceerd door John Purdell en Duane Baron. Het geluid op Awake klinkt inderdaad zwaar, de muziek is soms melodieus, maar is toch wat te afstandelijk, te statisch. Het grijpt je niet aan en je raakt er niet emotioneel bij betrokken. In het Progressive Metal genre zijn er betere albums gemaakt. Na Awake heeft Kevin Moore, de keyboardspeler, er de brui aan gegeven. Verschil van meningen, van inzichten wellicht? Het openingsnummer 6:00 begint echter hoopvol, en laat een band in topvorm horen met korte gitaar- en drumsolos. Caught In A Web begint wat tegenvallend, maar heeft wel een pakkend refrein, en Innocence Faded, opgenomen met verschillende gitaarlagen over elkaar heen, klinkt lekker vet. Het absolute hoogtepunt van het album, het drieluik A Mind Beside Itself, dat bestaat uit Erotomania (intrumentaal), Voices (met een snerpend gitaargeluid) en het rustige The Silent Man, wordt opgevolgd door het meeslepende The Mirror, waarin de spanning langzaam wordt opgebouwd naar een climax. Lie (een van de drie singles van het album) klinkt ook behoorlijk stevig met een mooie gitaarsolo van Petrucci, waarna de band op een gegeven moment in de allerhoogste versnelling gaat. Trash Metal! Lifting Shadows Off A Dream is weer wat rustiger en een van de mooiere nummers, een soort van ballad, wat intiemer. Scarred, ook redelijk en goed (doet een beetje aan Saga denken) waarin alles wat losser klinkt, waarin wat meer lucht zit, lijkt vooral iets afwisselender te zijn. Het laatste nummer Space-Dye Vest (tekst en muziek Kevin Moore) is ook een hoogtepunt, maar lijkt nogal af te wijken van de rest van het album. Het algemene beeld van Awake, is toch dat het wat ver van je weg staat. De teksten die gaan over hebzucht, angst, jaloezie, ziekte, alcoholisme, zijn soms interessant. De muzikanten zijn technish uitstekend, maar weten zich niet aan je te binden. Petrucci is een goede gitarist, en James Labrie een goede zanger, maar de muziek op dit album is toch wat te eentonig, te eendemensionaal.

Gerry & The Pacemakers – How Do You Like It (1963)

Gerry & The Pacemakers waren ooit net zo groot als The Beatles. Dat is een feit. Maar dat feit duurde echter niet zo lang. Met The Beatles viel niet te concurreren, voor niemand. In 1966 zijn The Pacemakers al uit elkaar gegaan. How Do You Like it is hun debuutalbum, en er staan een paar bekende nummers op. Het bekendste daarvan is natuurlijk You’ll Never Walk Alone. Geschreven door Rogers en Hammersteen II. Maar de meest bekende uitvoering is natuurlijk van deze jongens uit Liverpool. Zij hebben er een Anthem van gemaakt, ook en dankzij voor Liverpool FC. Andere klassiekers zijn Summertime van George Gershwin/Ira Gershwin/DuBose Heyward, Maybeline van Chuck Berry, Jambalaya (On The Bayou) van Hank Williams, en Slow Down van Larry Williams. Als je naar How Do You Like It? luisterd hoor je als het ware de beginperiode van The Beatles. Een wat rauwe sound waarin een soort van onschuld verborgen ligt: een van kijk ons eens verbazingwekkend de wereld in kijken. We zijn klaar voor een nieuwe. Mercybeat uit Liverpool geeft je iets sentimenteels. Je kunt niet ontkennen dat deze muziek een bepaalde tijd aangeeft van hoop en verwachtig. Het was reuze populair. Er zijn een aantal connecties met The Beatles (Liverpool, Hamburg, management, producer en zelfs een muziekfilm – hun eigen versie van A Hard Day’s Night genaamd Ferry Cross The Mercey), maar waar de Beatles natuurlijk een begrip zijn geworden, en groter dan groots, zijn deze jongens in feite in de tijd van de Mercybeat zelf blijven steken. Je hoort niet de band maar je hoort een voorbeeld van een stijl en een genre. Het enige zelf geschreven nummer op dit album is Don’t You Ever (van Gerry Marsden, een van de twee broers in de band). Het beste nummer is een Willie Lee Perryman compositie The Wrong Yoyo. Maar als je naar dit hele album luisterd, kom je helaas toch tot de conclussie dat deze jongens met de Beatles vochten maar het gevecht uiteindelijk glansrijk verloren. Op punten wel te verstaan.

Cliff Richard – Cliff Sings (1959)

Op het moment dat je het openingsnummer Blue Suede Shoes van Cliff Sings hoort, denk je, dit moeten mensen in een van de vele Gaumont Theatres ergens in Engeland in die tijd absoluut hebben gehoord. Richard als de new boy wonder, sloeg iedereen figuurlijk van zich af. Blue Suede Shoes van Carl Perkins is een van de twee covers van Perkins op Cliff Sings, samen met Pointed Toe Shoes. En dan denk je , ja, die man had wel iets. Richard was zeer zeker de Engelse Presley, Cochran of Jerry Lee Lewis. Er waren niet voor niets allemaal gillende keukenmeisjes die verliefd op Richard waren. Andere interessante nummers zijn I’m Walking (Domino/Bartholomew), Embraceable You (George Gershwin/Ira Gershwin), Twenty Flight Rock (Fairchild/Cochran) en Mean Woman Blues, een nummer van Claude Demetrius (door Presley, Jerry Lee Lewis, Roy Orbison en The Spencer Davis Group ook gedaan). De rest van Cliff Sings is alleen interessant omdat het een mooi tijdsbeeld geeft van de jaren vijftig in Engeland. Meer is het niet. Cliff Sings, opgenomen in Abbey Road, geproduceerd door Norrie Paramour, is een combinatie van opnames met The Shadows en de Norrie Paramor Strings. Maar die met de Paramor Strings zijn behoorlijk sentimenteel, eigenlijk ronduit verschrikkelijk, en wordt Richard hiermee in feite gepresenteerd als de ideale schoonzoon: zoetjes en braaf. Met dit soort muziek denk je automatisch aan rozen, aan parfum, aan meisjesharten, glaasjes wijn en de liefde. Richard zingt Here Comes Summer (Jerry Keller). Iedereen is gelukkig en tevreden. Het is valse schijn en liftmuziek. Cliff Richard was de Engelse tegenhanger van Elvis Presley. Op het moment dat Cliff Sings verscheen was Richard pas achttien jaar oud. In Engeland was hij een opkomende ster. Cliff Sings was zijn tweede album. Op zijn debuutalbum (live opgenomen) staan ook nog een paar interessante Rock & Roll covers, en is dat hele album meer Rock & Roll, maar dit tweede album laat horen dat Cliff Richard in zijn leven een andere kant is opgegaan. Jammer misschien voor de Rock & Roll in Engeland dat hij dat gedaan heeft. En zoals zelfs John Lennon ooit heeft gezegd, dat er voor Cliff Richard er in feite niets de moeite waard was om naar te luisteren, maakt Cliff Sings toch interessant. En ook Hank Marvin trouwens. Die man kon wel wat!

Les Troubadours Du Roi Baudoin – Missa Luba (1958)

Les Troubadours Du Roi Baudoin (De Troubadours van Koning Boudewijn) was een Congolees jongenskoor dat in de jaren vijftig opzien baarde. De Misa Luba (een Bantoevolk uit Centaal-Afrika) bestaat uit traditionele Congolese muziek en een Congolese mis (Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Benedictus, Agnus Dei). De premiere vond plaats in Kamina, in 1958, in Belgisch-Congo, en de opname (Philips) vond plaats in het Paviljoen van de Katholieke Missies op Expo 58 in Brussel. Vader Guido Haazen, een Belgische Missionaris, naar Belgisch-Congo gestuurd, waar hij verantwoordelijk werd gesteld voor een school, en die dit jongenskoor dirigeerde, heeft dit voortreffelijk gedaan (samen overigens met Joachim Ngooyi, solo zanger en leraar van de school). Deze Tridentijnse mis, die tot dan toe nog nooit op een niet Latijnse tekst was opgevoerd, geeft je echter een beklemmend gevoel. Dat komt door de schoonheid en de onschuld dat het teweeg brengt, en dat je iets hoort dat tot dan toe nog nooit eerder was gedaan. De schok moet groot zijn geweest. De muziek is werkelijk prachtig en volstrekt authentiek. Zeer de moeite waard.

Hazel Scott – Relaxed Piano Moods (1955)

Hazel Dorothy Scott, geboren in 1920 in Trinidad and Tobago, kwam als vierjarig meisje met haar moeder naar New York City. Zat op haar achtste al op een conservatorium (Juilliard School). Begon niet lang daarna op te treden met een Jazz band, en had in 1936 al als zestien jarig meisje een eigen radio show. Ze was actrice, speelde op Broadway, in films, had een eigen televisie show, The Hazel Scott Show, trad op voor Amerikaanse troepen in Europa, heeft twee keer opgetreden in Carnegie Hall, en was vaak te bewonderen in Café Society (Greenwich Village) in New York. Op Relaxed Piano Moods staan zes intrumentale bebop piano stukken, waarop Hazel Scott wordt begeleid door Max Roach op drums en Charles Mingus op bas. De eerste drie nummers Like Someone In Love, Peace Of Mind en Lament (J.J. Johnson), zijn drie rustige nummers, waarin de nadruk meer op het piano spel van Scott zelf ligt: een soort van melancholische achtergrondmuziek voor een romantisch etentje in een goed restaurant. Vooral Peace Of Mind (een eigen compositie van Scott) is daarvan een mooi voorbeeld. Het laat je onderdompelen in een staat van ontspanning. Maar vanaf The Jeep Is Jumpin begint het opeens te swingen, en komen Scott, Roach en Mingus gezamenlijk op gang, en lijkt het opeens een hecht trio te zijn geworden waarin alle drie evenveel speelruimte krijgen toebedeeld. The Jeep Is Jumpin is een up-tempo nummer waarin Mingus en Roach helemaal los gaan en nog meer uit haar schaduw treden. Git Up From There swingt ook de pan uit, waarin tussendoor een aantal bas- en drumsolo’ s te horen zijn, maar ook waarin vooral Hazel Scott excelleert, en je laat horen hoe goed deze vrouw piano kon spelen. A Foggy Day (George Gershwin/Ira Gershwin) het laatste nummer, ook een up-tempo nummer, is ronduit excellent. Ook deze instrumentale piano uitvoering doet je beseffen hoe groot het talent van Scott was. Uitgebracht door het Debut Record Label, en geproduceerd in de Van Gelder Studio door Rudy van Gelder in Hackensack. Hazel Scott was met recht een wonderkind en een sterke vrouw. Relaxed Piano Moods laat je inderdaad ontspannen.

Denny Freeman – Diggin’ On Dylan (2012)

Denny Freeman is een Texas blues gitarist met heel wat projecten achter zijn naam. Hij heeft een verleden met zowel Stevie Ray Vaughan als Jimmy Vaughan. Hij was lid van een huisband in Antones Nightclub (Austin) en heeft daar in die hoedanigheid veel artiesten begeleid zoals Otis Rush, Albert Collins, Buddy Guy en Junior Wells. Hij heeft meegespeeld op Family Style van de Vaughan Brothers, speelde op Jimmie Vaughans Strange Pleasure. Heeft getourd met Taj Mahal en Jimmie Vaughan. En hij heeft zowel getourd met Dylan en speelde mee op Modern Times van Dylan. Dit allemaal om toch aan te geven dat je respect voor Freeman moet hebben, Freeman is een uitstekende gitarist (Dylan was zeer positief over hem), die zijn snaren als het ware kan laten dansen. En hoewel niet bekend bij het grote publiek kun je hem rustig vergelijken met de allerbeste gitaristen ter wereld (het tiende nummer I’ll Be Your Baby Tonight doet je een beetje denken aan Django Reinhardt). Dit album van Freeman is een eerbetoon aan Dylan. Er staan zestien instrumentale covers op. Freeman zelf neemt een aantal instrumenten voor zijn rekening zoals keyboards, harmonica en bas, en wordt begeleid door Elena James, Jon Blondell, Jim Milan, Barry Smith, Michael Dohony en Stuart Sulivan, allemaal goede muzikanten. Maar vergeleken met talloze andere Dylan cover albums, is deze toch een beetje te braaf. Hoewel natuurlijk goedbedoeld lijkt het alsof je achtergrond muziek hoort in een supermarkt. Er zit geen avontuur in de nummers, het is het vlekkeloos naspelen van het bestaande. Maar absoluut wel goed gedaan. Met een beetje fantasie zou je op sommige nummers zelfs de stem van Dylan er bij kunnen horen. Spirit On The Water, bijvoorbeeld, zou met Dylans stem zomaar op Modern Times kunnen staan. Van de zestien nummers die op dit album staan , zijn Masters Of War, Ballad Of A Thin Man, Queen Jane Approximately, Dignity en het laatste nummer It Takes A Lot To Laugh, It Takes A Train To Cry het meest interessant, misschien wel omdat hij met een paar mooie gitaarsolo’s toch wat meer van zich afbijt. De rest van dit album valt tegen. Van Dylan krijg je nooit genoeg. Maar dit is geen wonderbaarlijk album. Wel met een paar verrassende nummers maar niet vergeleken met andere cover albums van Dylan.

Grizzly Bear – Horn Of Plenty (2004)

Horn Of Plenty van Grizzly Bear is Experimental Rock en bestaat op dit album eigenlijk alleen uit Edward Droste. Hij heeft dit album helemaal in zijn eentje gemaakt, en heeft later de hulp ingeroepen van drie andere muzikanten. Grizzly Bear komt uit Brooklyn, New York. Samen met Christopher Bear (te horen op Disappearing Act), Jared Baron (te horen op Campfire en La Duchess Anne) en Jamie Reader (op Eavesdropping), die op dit album meewerken, is alleen Christopher Bear op latere albums een vast bandlid geworden. Voor Horn Of Plenty moet je behoorlijk open staan en moet je geduld hebben. Er zit weinig afwisseling in het gebodene en is traag: als je niet uitkijkt val je erbij in slaap. Er staan veertien nummers op dit album. Maar al deze nummers zijn ongrijpbaar, je kunt je niet verplaatsen in de achtergrond. Het klinkt rommelig en ondoordacht, en is inderdaad nogal experimenteel. Het openingsnummer Deep Sea Diver klinkt veelbelovend. Op het tweede nummer Don’t Ask klinkt de stem van Droste wat als Syd Barrett, en gaat ook nog wel. Maar de rest van dit album is nogal eentonig. Het vijfde nummer Shift is ronduit slaapverwekkend. Volgens Droste is zijn stem (op het hele album) niet met opzet op deze manier geproduceerd (alsof het een Lo-fi album is), maar wist hij niet hoe de opnametechniek van de microfoon precies werkte. Dit geeft misschien aan waarom Horn Of Plenty voor mij niet helemaal gelukt is. Dit is typisch zo’n album wat je de ene keer heel erg goed vind en de andere keer helemaal niets. Het twaalfde nummer Eavesdropping, met een meeslepende viool (Jamie Reader), is wat mij betreft het beste nummer, samen met Service Bell en This Song. Het lijkt erop dat Edward Droste zijn beste drie nummers voor het laatst heeft bewaard. Je wordt een beetje beloond. Een heel klein beetje.

Buzzcocks – Another Music From A Different Kitchen (1978)

Steeds weer, of incidenteel, als ik naar Another Music luister weet ik niet of dit nu Punk Pop is of Punk Rock. Maakt natuurlijk ook niet uit. Ook al is het verschil misschien wel flinterdun, en ondanks de stem van zanger Pete Shelley, die namelijk best wel kan zingen. Another Music klinkt hoorlijk melodieus. Het gitaarwerk van zowel Shelley als Steve Diggle is fijn om naar te luisteren. De Buzzcocks bestaande uit Pete Shelley, Steve Diggle, Steve Garvey en John Maher uit Bolton (Greater Manchester) leveren op hun debuutalbum uit 1978 elf nummers af waarmee je gaat dansen inplaats van springen. Je wilt gaan meezingen inplaats van duwen. Een goed voorbeeld daarvan is het zevende nummer I Don’t Mind (uitgebracht als single) en het het achtste nummer Fiction Romance. Terwijl de eerste twee nummers Fast Cars (een gitaar solo met maar twee herhalende noten) en No Reply doen denken aan de Pistols, is het derde nummer You Tear Me Up al helemaal anders. Spannender, Rauwer, Meer over de rand. Maar toch! Als je er doorheen prikt en goed luisterd, hoor je op een gegeven moment Punk Pop, en zijn het als het ware liedjes geworden. Voor muziek in het algemeen uiteraard niet, maar voor Punk misschien een doodzonde. Niet anarchistisch genoeg, maar soms persoonlijk en over de liefde. Juist omdat dit album uit 1978 komt, uit de hoogtijdagen van de Punk, is het daarom niet zo goed als bijvoorbeeld Never Mind The Bollocks (1977) van de Pistols en Damned Damned Damned (1977) van The Damned uit diezelfde periode. Another Music From A Different Kitchen is ondanks dit alles als een sneltrein die voorbij raast, luisterd als een coherent geheel, is het een geluidsexplosie. Het beste nummer is het laatste nummer Moving Away From The Pulse Beat, dat welliswaar doet denken aan Hey Bo Diddley van Bo Diddley, maar toch geen slecht aftreksel is. De Buzzcocks waren onvervalste punkers, laat daar geen misverstand over bestaan, belangrijk in de Punk beweging en in de Manchester Music Scene. Over het algemeen wordt dit album als Punk Rock beschouwd, maar wat mij betreft is het zelfs niet beter dan die van bijvoorbeeld Punk Pop bands als Weezer en Wheatus en zelfs Blink 182. Another Music heeft wel zeker een eigen geluid, maar er zijn absoluut betere Punk albums gemaakt.

Bob Newhart – The Button-Down Mind Of Bob Newhart (1960)

Bob Newhart is een stand-up comedian, schrijver en acteur. De man is een icoon. Zijn meest bekende rollen waren die van Major Major in de film Catch 22 en die van Papa Elf in de film Elf (een van de leukste kerstfilms ooit gemaakt). Ook heeft hij gespeeld in Horrible Bosses, ER en The Big Bang Theory. The Button-Down Mind Of Bob Newhart is echter een Comedy Album, is opgenomen in The Tidelands Club in Houston, Texas, en is uitgebracht in 1960. Ooit heeft dit album bovenaan gestaan in de Billboard Charts, en heeft hij (1961) met dit album een Grammy gewonnen als beste nieuwe artiest. Op de The Button-Down Mind is Newhart vooral een verteller. Hij komt over als een man die een serieus verhaal verteld en in het begin zelf niet in de gaten heeft dat hij komisch is. En dat is de kracht van Newhart. Hij is een verhalenverteller. En de verhalen die hij verteld zijn komisch!Op het moment dat hij in de gaten heeft dat mensen om hem moeten lachen, raakt hij nog meer op dreef. En dan is hij niet meer te houden. Maar hij blijft vertellen. Hij relativeerd de geschiedenis, geeft er zijn eigen draai aan. Dit doet hij bijvoorbeeld met Abe Lincoln Vs Madison Avenue en The Krushchev Landing Rehearsal. Zijn belevenissen en observaties blijven interessant. Alle onderwerpen die hij behandeld (politiek, militair, vrouwen, commercie, sport) zijn bijzonder humoristisch, juist omdat hij ze heel serieus verteld. Driving Intructor is hiervan een goed voorbeeld. Hij maakt sommigen belachelijk, is af en toe cynisch, heeft alles onder controle, en bespeeld zijn publiek als een acteur. The Button-Down Mind Of Bob Newhart is vooral geloofwaardig. Deze innemende man wil je absoluut als beste vriend hebben. Naar zijn verhalen wil je blijven luisteren! Ergens op een barkruk aan de bar in een kroeg in New York in de jaren zestig met een goed glas whisky. Proost!

Cheech & Chong – Cheech & Chong (1971)

Wie opgegroeid is in de jaren zeventig heeft van dit duo denk ik wel eens een keer een film op TV gezien. Ze waren toen best wel populair. Up In Smoke uit 1978 was hun meest succesvolle, en is nu een soort cult film geworden. Als duo hebben ze van alles gedaan: films, stand-up comedy, en hebben heel wat albums gemaakt. Maar ook los van elkaar waren ze betrekkelijk succesvol en hebben in verschillende films en TV-series gespeeld (Nash Bridges, From Dusk To Dawn, Christmas With The Kranks, That ’70s Show). Cheech & Chong (Richard Marin & Tommy Chong) is hun debuutalbum en bestaat uit elf sketches. Deze elf sketches gaan voornamelijk over marihuana, weed, drugs, The FBI, marihuana, weed en drugs. Het is allemaal nogal melige humor. Het vierde nummer Vietnam is grappig, net als het vijfde nummer Trippin’ In Court. Dave is reuze grappig, net als Emergency Ward. De rest is een beetje flauw. Je moet denk ik de films gezien hebben om ze verder echt de moeite waard te vinden, ook al zijn die films nu vooral gedateerd. En ook moet je de War On Drugs in de Verenigde Staten van toen een beetje begrijpen om hier de humor van in te zien. Cheech & Chong is geproduceerd door Lou Adler (o.a. Tapestry van Carole King. The Brothers & Sisters) en geeft een mooi beeld van de jaren zeventig. Onderdeel van de Counterculture!

Allen Ginsberg – Howl And Other Poems (1959)

Howl and Other Poems is een Spoken Word CD. Het is opgenomen in 1959 op The Big Table Reading op het Shaw Festival in Chicago en in de Fantasy Studios in San Fransisco. Irwin Allen Ginsberg, geboren in 1926 en overleden in 1997, was een invloedrijke dichter van de Beat Generation samen met William S. Burroughs en Jack Kerouac, en nog een paar andere dichters. Hij heeft een grote invloed gehad op de folk-beweging in Greenwich Village in New York. Ginsberg zelf was o.a. geinspireerd door William Blake, Walt Whitman, Garcia Lorca, Edgar Alan Poe, en heeft anderen weer geinspreerd, zoals Dylan, Ochs en The Fugs. De CD bestaat uit tien gedichten, waarvan het gedicht Howl het meest indruk maakt. Net als de andere poezie, is het een grote aanklacht tegen alles wat er zo’n beetje speelde in de Verenigde Staten van de jaren vijftig. Het openingsgedicht Howl bestaat uit drie delen, waarvan het laatste deel I’m with You In Rockland (Rockland was een psychiatrisch ziekenhuis wat zijn moeder bezocht en waar ze waarschijnlijk was opgenomen) als kogels uit een machinegeweer op je afkomt, haast als een soort Rap. In Transcription In Organ Music, het vierde gedicht, deeld hij jou zijn geheimen toe, stelt hij je gerust en geeft hij je troost; alsof hij samen met je in bed ligt en hij terloops voor het in slaap vallen nog even wat tegen je wil zeggen. Samen met A Supermarket in California, America en The Sunflower Sutra, is Howl echter het meest intrigerende. Als je naar deze CD luisterd hoor je de jaren vijftig van de vorige eeuw. Iets wat je ook beleeft als je naar Jazz uit die tijd luisterd, naar bijvoorbeeld Miles Davis, Charles Mingus en Lee Konitz. De repeterende woorden die Ginsberg op je af stuurd zijn misschien wel te vergelijken met het slagwerk van drummers als Gene Krupa en Buddy Rich. Elk woord komt aan. Het is intens, je kunt niets missen, je mag niets missen, alles is met elkaar verbonden; niet alleen de woorden maar ook de boodschap. Ginsberg is als een dominee op een kansel, hij vuurt ritmische woorden en zinnen op je af met een aanklacht die je in een spiegel laat kijken. Je weet je dat je naar een statement hebt geluisterd, naar een statement van een man die je als een geest komt opjagen. Howl!

Sergei Prokofiev – Romeo and Juliet (1982)

Het is haast niet voor te stellen dat Romeo and Juliet in 1940 ooit is opgevoerd in het Rusland van Josef Stalin. Dat er mensen zijn geweest die tijdens het Beleg van Leningrad, bijvoorbeeld twee jaar later, deze muziek misschien hebben gehoord. Of misschien ook wel niet. Waarschijnlijk niet. De schoonheid zo dicht bij je hebben terwijl de verschrikking op hetzelfde moment plaatsvind, is moeilijk voor te stellen. Maar als je goed naar de muziek luisterd, zie je WOII vanzelf voor je geest opdoemen. Alle ellende, het verdriet, de terreur, en de verschrikking van de Tweede Wereldoorlog zit allemaal in deze muziek. Het complete ballet voor het eerst in het geheel opgevoerd in 1935, en daarna in 1940 in Leningrad, is Romeo and Juliet fascinerend. Het meest bekende is natuurlijk Montagues and Capulets. Mijn advies is: doe alle lichten in je kamer uit, zet de stereo op het allerhardste volume, ga op de bank zitten, en geniet! Maar Romeo and Juliet heeft veel meer te bieden. Het hele werk golft op en neer, het danst, het donderd, het overdonderd, het bliksemt, het is lichtvoetig, zwaar op de hand, klein en groots, het is spannend, romantisch, het is dood en verderf, iel, bombastish en theatraal. Ik ben dan wel geen klassieke muziekkenner, en ballet zegt mij ook niets, maar ik kan dit wel waarderen. Dankzij en ondanks Montagues and Capulets.

Urban Trad – One O Four (2001)

De muziek van het Belgische Urban Trad kun je het best omschrijven als Acid Croft: een mengeling van Celtic Folk en Electronic. One O Four bestaat uit twaalf nummers. Hoewel er best een aantal goede nummers op staan, pakt het me net niet. En toch luister ik hier niet met tegenzin naar. Je wil deze CD wel zeker helemaal afluisteren. Je wil het een kans geven, maar uiteindelijk ben je toch een beetje teleurgesteld. Er had meer in kunnen zitten. De eerste tien nummers zijn oefeningen in verschillende gradaties van geduld, en is allemaal een beetje meer van hetzelfde. Het elfde nummer Rap-a-doo is ronduit irritant. Maar het twaalfde nummer Mecanix geeft je eindelijk waar voor je geld. Het is allemaal best wel goed bedoeld, maar op deze CD ontbreekt de noodzaak. Er zit geen boodschap in. Het is achtergrondmuziek voor televisie. Het is boter noch vis. Je weet niet of je nu langs al die betonnen flats in de stad loopt, of dat je je in de natuurlijke pracht en praal van de Schotse Hooglanden bevindt. Met deze muziek wordt er de suggestie gewekt dat je dat allebei kan, en sterker nog, dat dat tegelijkertijd kan. Maar als je moet kiezen tussen groene grazige weiden en rottend beton, kies je uiteraard altijd voor dat eerste. En dat gevoel blijft dan beklijven. Jammer. Ja, er had inderdaad meer in kunnen zitten!

Kroonenberg & De Rijcke – Het Konijn En Andere Verhalen (????)

Deze CD heb ik ooit een keer gekregen als hebbedingetje, of bij een kerstpakket of bij het zoveel jarig bestaan van mijn werkgever. Ik zou helaas niet meer weten in welk jaar dat was (kan ik echt nergens vinden en heb het blijkbaar nooit willen uitzoeken – het album staat wel op Discogs maar er staat geen jaartal achter), maar ik vermoed dat het toch wel teruggaat naar de jaren negentig van de vorige eeuw. Ik heb deze CD nooit weggedaan, heb hem altijd een beetje gekoesterd. Ook omdat de teksten gedeeltelijk betrekking hebben op mijn werk zelf. Van de muzikanten is niet veel te achterhalen. Philip Kroonenberg (gitaar, zang) is een actieve muzikant en heeft een aantal CD’s op zijn naam staan (blijkt leuke Americana te maken). Rens van der Zalm (gitaar, mandoline, viool, accordion), en Sjoerd van Bommel (drums) blijken ook op een andere CD’s van Kroonenberg mee te hebben gedaan. De acht muzikanten die op deze CD te horen zijn, lijken in hun samenspel veel plezier te hebben. Soms lijkt het of je Blof hoort, of Acda en De Munnik of De Dijk. Hoogtepunten zijn de nummers Monsterseweg en Konijn. Ik heb jarenlang over de Monsterseweg gefietst. s’ Morgens om zeven uur naar mijn werk en om tien over vier in de middag weer naar huis. Vaak ook als ik van half drie in de middag tot elf uur in de avond moest werken. Ik weet waar dat nummer over gaat. Dat nummer gaat gedeeltelijk ook over mezelf en veel over mijn collega’s . En daarom raakt het me.

De Regahs – Den Haag… Ole (2008)

Als je in Den Haag een straatfeest geeft of een BBQ ergens in een tuin, dan moet je deze CD opzetten. 100% puur Flamingo in 100% puur Haags, en volgens De Regahs zelf uit Flamingostad Nr. 1. ‘Stad waar we graag over zeiken. Ja, dat is Den Haag. Maar als een ander dat doet vallen er lijken’. Als je uit Den Haag komt moet je hier wel van houden. Haagse teksten op muziek van o.a. Antonio Carlos Jobim, Vinicius de Moraes en Luiz Bonfa. Het is allemaal uitermate vermakelijk. Maar bovenal deze jongens kunnen gitaar spelen. Het overtuigd. De teksten zijn humoristisch. Opzahte, De Meisjes uit Den Haag, Tering ting ting Tram en Je Bent ut Voah Men, zijn vier nummers van deze tien nummers tellende CD, waarmee je vanzelf gaat meezingen. De Regahs bestaan uit Johan Frauenfelder (singah song regah), Marcel de Graaf (beregah), Udo Demandt (schlagregah) en Arturo Ramon (klapwiekregah). Eigenlijk kun je maar tot een conclussie komen: De Haagse groen-gele ooievaar is eigenlijk een roze flamingo! Gaat toch lekker weg naar Spanje De Flamengo in Nederland komt uit Den Haag. Ole!

Al Jarreau – L Is For Lover (1986)

Al Jarreau is misschien wel het meest bekend van Roof Garden van het album Breakin’ Away uit 1981. Dit album uit 1986 is geproduceerd door Nile Rodgers. Er doen op deze CD een hoop sessie muzikanten mee, waaronder Anthony Jackson, Steve Ferrone, Curtis King en Nile Rodgers zelf. Nummers die er uitspringen zijn wat mij betreft Says, Pleasure, Golden Girl (mooie gitaar solo van Rodgers) en Across The Midnight Sky. Het album is een prettige mengeling van Soul Jazz en Smooth Jazz, met prettig in het gehoor liggende achtergrond koortjes, waardoor je jezelf een lekkere cocktail ziet drinken op een terrasje ergens op een mooi vakantieadres. Diep in de nacht wil je opstaan om naar bed te gaan, maar besluit toch maar te blijven zitten en je weg te laten zinken in de zoete stem van Al Jarreau. De zanger wil je rust en vertrouwen geven, wil zijn geliefde terugwinnen ook voor jou. Hij wil je geruststellen, je meenemen naar zijn meest geliefde plekjes, en jou vertellen wat hij allemaal kan. Volg mij en alles komt goed! L Is For Lovers ligt inderdaad prettig in het gehoor, maar is eerlijk gezegd een beetje middelmaat. Niet slecht maar ook niet goed!

Stars of the Lid – The Tired Sounds of Stars of the Lid (2001)

Als ik naar deze muziek luister zie ik een winters landschap opdoemen, loop ik op een weg naar de horizon met alleen maar sneeuw. Alles is wit. En ver weg gelegen boerderij komt steeds dichterbij. Een roedel wolven verschijnt ergens uit de bosjes en verdwijnd weer. Ze hebben me niet geroken of gezien. De stilte is oorverdovend. De tijd staat stil. Maar de pracht van het landschap geeft je een reden om door te blijven lopen en nieuwe vergezichten te ontdekken. Je moet wel. Achter de horizon ligt namelijk de verlossing. De kracht van deze muziek is dat het je verbeeldingskracht kietelt. Met deze CD heb ik dat ook. Stars of the Lid, is een duo afkomstig uit Austin Texas, en bestaat uit Brian McBride en Adam Wiltzie. Ze maken prachtige muziek. Ik kan iedereen aanraden om hiernaar te luisteren. De CD bevat negentien nummers en duurt iets korter dan anderhalf uur, maar het verveelt geen seconde. Je blijft steeds nieuwe dingen ontdekken. Dit is niet de beste Ambient CD die ik heb, maar ben het genre steeds meer gaan waarderen. Je moet de tijd nemen om daarachter te komen. Als je je ogen sluit en je luistert bijvoorbeeld naar Fac 21, het vijfde nummer op de tweede CD (The Tired Sounds is een Dubbel CD), zie je tegelijkertijd je leven voorbij flitsen, en kan het je helpen de toekomst te visualiseren. Het kan je kracht geven de hectiek van het leven te doorstaan. Deze CD is dan misschien wel niet de allerbeste Ambient Drone muziek ooit gemaakt, het is zeer zeker de moeite waard om er naar te luisteren.

Freek de Jonge – Gemeen Goed (1997)

Deze CD bevat dertien nummers en is opgenomen in de Stadsschouwburg in Groningen. Alle muziek is van Robert Jan Stips. Er komen verschillende bekende nummers voorbij. Een aantal verpakt in een medley (Kleine Kokette Katinka, Huilen Is Voor Jou Te laat, Kleine Café aan De Haven, Kom Van Dat Dak Af, Ach Was Ik Maar Bij Moeder Thuisgebleven en Red River Rock). Verder staan er ook nog bewerkingen op van Van Dyke Parks, Raymond van het Groenewoud en van Dylan. Dat laatste nummer, Leven Na De Dood, was de reden dat ik deze CD kocht. Van de andere muzikale nummers, Oom Wim, Van de Gekken, en Het Stiefkind, is Oom Wim echter het mooiste nummer. Verder heb ik weinig met de Jonge. Geef mij maar Bram Vermeulen!

The Bridge -Blind Man’s Hill (2008)

The Bridge is een Jam Band en komt uit Baltimore, Maryland. Tot 2011 hebben ze vier CD’s gemaakt. Blind Man’s Hill is hun derde CD. De band is inmiddels uit elkaar. De muziek is een beetje een mengeling van Rock en Blues met een vleugje Bluegrass. De eerste drie nummers, Honey Bee, Let me off this Train en Old White Lightning 95, doen een beetje denken aan Little Feat en de stem van zanger Cris Jacobs lijkt ook een beetje op die van Lowell George. Andere vergelijkingen gaan helaas niet meer op. Maar dit is geen slechte muziek (The Bridge was absoluut een uitstekende live band, hebben verschillende prijzen gewonnen, en hadden een meer dan goede live reputatie), maar het algemene gevoel is toch wel dat het op deze CD, die ik heb in ieder geval, net geen eigen smoel heeft. Het zijn goede muzikanten, daar niet van, en als je de teksten zonder de muziek leest zou je denken dat je met The Band te maken hebt. Maar het is het allemaal net niet! Vergeleken met de andere nummers is het laatste nummer Lasting Hymn het zwakste nummer, en valt wat uit de toon met de rest. Maar naar het hele album kan ik met plezier luisteren. Misschien jammer dat ze niet echt doorgebroken zijn. Dat hadden ze echt verdiend.

Carl Orff – Carmina Burana (1937)

De Carmina Burana van Carl Orff is een Cantata, en O Fortuna is daarvan het meest bekend. Wanneer en waarom ik deze CD ooit gekocht heb zou ik echt niet meer kunnen achterhalen. Maar het is een van de CD’s die ik het langst in mijn bezit heb. Waarschijnlijk heb ik deze CD in 1988 gekocht, toen de CD Speler nog de uitvinding van de eeuw was. O Fortuna, het openingsnummer, is in een aantal commercials, tv series en films gebruikt, waaronder Exalibur, Speed en Oliver Stone’s The Doors, en is het enige nummer waar ik nog wel naar kan luisteren. Ik heb werkelijk geen verstand van klassieke muziek, en ik zal er daarom niet veel woorden aan vuil maken. Slechte muziek kan me soms nog wel eens interesseren, maar soms is goede muziek blijkbaar ook volstrekt oninteressant voor me. De Carmina Burana boeid me verder niet, of ik het nu goed vind of niet. Ik kan het niet genoeg met andere klassieke muziek vergelijken, ik heb er geen raakvlakken mee en kan ik er daarom geen oordeel over vellen. Wat ik wel weet is dat ik zenuwachtig wordt van deze muziek. Soms kan het je later alsnog pakken, maar in dit geval niet. Als je er echt met een mes op je keel naar moet leren luisteren, hoefd het voor mij niet meer.

Eminem – The Marshall Mathers LP (2000)

Over The Marshall Mathers LP kun je veel zeggen. Er staan een paar nummers op die de hitlijsten hebben gehaald (Stan, The Real Slim Shady, The Way I Am), dat het waarschijnlijk niet het allerslechtste Rap album is dat ooit is gemaakt, dat Eminem best goed kan rappen, en dat dit album uit achttien nummers bestaat. Het probleem met goede rappers, en misschien ook wel met slechte, is dat ze dat vooral snel kunnen doen, zodat je er niets van begrijpt van wat ze feitelijk te vertellen hebben. Om eerlijk te waarheid te zeggen weet ik eigenlijk niet genoeg van het genre om daarover een oordeel te geven. Artiesten nemen zich vaak erg serieus, maar Eminem doet hier aan zelfspot en neemt de muziekindustrie te grazen. Af en toe vraag je jezelf af of hij nu zingt of rapt? Dit album lijkt een beetje op een documentaire, over het reuze interessante leven van Eminem, over zijn onbegrepen frustraties van zijn alter ego de echte Slim Shady. Soms is hij kwaad, soms reflecteerd hij en soms is hij ook uitermate grappig. Op de nummers Marshall Mathers en Kim zingt hij ook echt, en het nummer Ken Kaniff zou zo maar van Frank Zappa kunnen zijn. Rap is niet mijn genre, maar je moet er toch naar luisteren om er iets van te vinden. En daar laat ik het verder maar bij.

Abba – Waterloo (1974)

Ik weet nog dat ik als klein jongetje Waterloo van Abba gezien heb op het Europees Songfestival. En ik herinner me nog dat dat optreden en dat nummer anders was dan van die andere artiesten. Op dat Songfestival van 1974 was dat ook gewoon het beste liedje. Geen twijfel over mogelijk. Maar voor de rest vond ik Abba verschrikkelijk. De meisjes op de middelbare school waren allemaal Abba fan. Ik haatte die meisjes. Ik was van Queen, die band maakte pas echt muziek. Abba was veel te soft. Queen was hardrock. Dat was serieuze shit! Maar als je eerlijk bent moet je constateren dat Abba in hun carriere en in hun genre (met de Carpenters te vergelijken) best goede muziek heeft gemaakt, in de zin van dat het pakkende popliedjes zijn, knap gecomponeerd. Benny Andersson en Bjorn Ulvaeus waren als de schrijvers enorm productief. En wie was er in die tijd als jongetje van mijn leeftijd niet verliefd op Agnetha of Anni-Frid. Van de twaalf nummers op deze CD (door Andersson en Ulvaeus zelf geproduceerd in de Metronome Studio in Stockholm) zijn Waterloo en Honey Honey het meest bekend. My Mama Said springt er echter verder uit. Drie aardige nummers, Dat is alles! Andersson en Ulvaeus waren in de jaren 70 de opvolgers van Lennon en McCartney, en werden in die tijd als uitzonderlijke songwriters gezien. Maar afgezien van de meer bekendere hits op deze CD zijn alle andere nummers fillers. Het zijn nietszeggende liedjes. Abba wordt nog steeds in leven gehouden door musicals en films (misschien Queen ook wel ahum). Dat gedweep vooral door sommigen ook. Gruwelijk! Vooral ook rondom het jaarlijkse Songfestival. Weten zij veel! Opvallend trouwens dat Bjorn Ulvaeus in zijn grappige pakje, zijn cape en zijn hoge hakken in de jaren 70, nogal lijkt op Dave Hill van Slade. Zelfs Brian May van Queen droeg toen een cape. Zo rondom 1975, 1976, 1977 hield je of van Abba of van Queen. Maar zelfs het haar van Brian May was veel cooler dan dat van die Abba jongens.

Hocico – Memorias Atras (2008)

Hocico is een duo en bestaat uit twee neven afkomstig uit Mexico. Memorias Atras is een prettig in het gehoor liggende Electro-Industrial CD. Twaalf nummers over death, doom en madness, overgoten met een sausje van elektronische klanken. Met een beetje voorstellingsvermogen geeft de muziek je het idee, dat je in de onderwereld terecht bent gekomen en de River Styx moet oversteken: je krijgt nog een waarschuwing maar daarna is er geen weg meer terug! De mensheid is verloren en moet boete doen. Het geeft je een beklemmend gevoel en je komt er achter dat je de duistere kant van je ziel verder wil verkennen. Erk Aicrac en Rasco Agroyam, de beide heren van het duo, op een foto in het binnenhoesje, lijken zo weggelopen te kunnen zijn uit een horror film, als de kleine broertjes van Pinhead (Hellraiser). Het lijken geen gezellige jongens om te zien. Maar als je de synthesizers zou vervangen door gitaren, zou Memorias Atras qua thematiek en de stem van Aicrac, zomaar een Metal album kunnen zijn. En dat is een compliment!

Maxi Trusso – S.O.S. (2014)

Je kunt jezelf afvragen of je dit album serieus moet nemen. Maar is dat belangrijk? In Argentinie zullen ze er in de clubs wel op bewegen, denk ik. S.O.S is gladjes geproduceerd, maar verder gaat het helemaal nergens over. Nobody’s Lonely, Music Is My Dream. Als er zoiets als Euro Disco bestaat is er dan ook zoiets als Argentino Disco? Je kunt het ook Dance noemen of Electro Pop. Het ligt wat mij betreft een beetje in het verlengde van Call Me van Sylvester, maar dan iets prettiger in het gehoor. Blijkbaar is er niet veel veranderd in de muziekindustrie, en wordt deze muziek nog steeds gemaakt. Op de hoes staat Maxi afgebeeld als de jonge Roy Orbison, maar dat zal wel met een knipoog gedaan zijn. Je kunt er op dansen, maar daarmee is alles gezegd.

Trans-Siberian Orchestra – Beethoven’s Last Night (2000)

Dit album is een Rock Opera. Maar het is moeilijk te bepalen waar je dit verder mee zou kunnen vergelijken. Het album gaat inderdaad over Beethoven, over zijn strijd met Mephistopheles, over zijn keuze zijn ziel te kunnen behouden. Als je een keer naar deze CD luisterd komt onmiddelijk Andre Rieu om de hoek kijken. Maar dit is te kort door de bocht: er zit wel zeker meer diepgang in deze muziek, en ook al zit het zeker tegen de kitsch aan. Misschien moet je van Savatage houden (Jon Oliva, Al Pitrelli, Chris Gaffery) om dit ook goed vinden: Trans-Siberian Orchestra is in feite gedeeltelijk Savatage. Beethoven’s Last Night is wat mij betreft niet echt noemenswaardig. Laten we het er op houden dat we er de muziek van Beethoven op voorbij horen komen, en ook Mozart en Nikolai Rimsky-Korsakov. Het fictieve verhaal over Beethoven is leuk bedacht, maar muzikaal al met al niet echt interessant.

Isao Tomita – Snowflakes Are Dancing (1974)

Snowflakes Are Dancing is een Ambient album. Er staan elf nummers op. In tegenstelling tot Dream van Kitaro, raak je hier wel heel rustig van. Er staan elf nummers op, elf arrangementen van composities van Claude Debussy. Eerlijk gezegd heb ik me nog nooit geinteresseerd in de muziek van Debussy, maar als je naar deze CD luisterd, (Claire de Lune, Arabesque No.1, The Engulfed Cathedral) kan het wel een introductie zijn tot deze klassieke Componist. Als je dat tenminste zou willen. Uitgebracht in 1974, toen de synthersizer een belangrijke rol was gaan spelen in de Rock muziek, is Snowflakes een fijne collage van atmosferische klanken, waarin denkbeeldige vergezichten aan de horizon gezien kunnen worden. Prettig om naar te luisteren. Als je wil weten wat de Moog Syntheziser allemaal kan moet je naar deze CD luisteren. Wie alleen maar van Klassieke Muziek houd, zal dit waarschijnlijk helemaal niets vinden.

Kitaro – Dream (1992)

Ik moet deze CD ooit een keer gekocht hebben omdat Jon Anderson hierop meedoet. Ik moet hebben gedacht dat deze CD een soort Jon & Vangelis was. Maar dat is het niet. Waar Anderson en Vangelis (Short Stories) een muzikale connectie hebben, is dat op deze CD niet het geval. Jon Anderson die op drie nummers zingt: Lady of Dreams, Agreement en Island of Life, zijn dan ook meteen de drie hoogtepunten van de CD. Masanori Takahashi maakt New Age muziek. Met New Age heb ik net zo weinig als met Rap, misschien nog wel minder. Maar waar sommige Rappers nog een boodschap hebben, heeft New Age muziek dat niet. Het poogt je alleen maar in een staat van vervoering te brengen ondanks de muziek en en niet dankij de muziek. Sommige mensen worden er rustig van, het kalmeert ze, ze worden er Zen van. Ik persoonlijk wordt er nogal zenuwachtig van. Je denkt constant: nu komt het, maar nee , er komt niets. Het kabbelt maar door en door en door. Instrumentale muziek kan je raken. Maar dit raakt niet. Zonder Anderson zijn er wel een paar uitzonderingen. Dream of Chant en Symphony of Dreams, daar zit een zekere spanning in en zijn aardige composities, maar alle overige nummers kun je rustig vergeten

Jiskefet – Bull (1997)

Op TV was Jiskefet altijd uiterst vermakelijk waar je de TV altijd voor aanzette. Altijd! De leukste Comedy (als Genre) die de Nederlandse TV heeft voortgebracht. Na Koot & Bie weliswaar, maar toch. De enige reden waarom Bull helemaal onderin de Top 1760 staat en ook niet in de Top 10 van Comedy, is omdat deze CD ook uit muziekmummers bestaan, en dat is het zwakke punt van Bull. Dat zijn allemaal covers. Wel goed uitgevoerd natuurlijk, maar niet hemelbestormend. Het humoristische en het absurdistische gedeelte van de CD, waar Jiskefet mee bekend is geworden en waar ze ook heel goed in waren, vind je maar in een paar nummers terug. Conchita, Toch mijn Vrouw, Man die Bakt, Tampert, en Peter. Het beste nummer is wat mij betreft Laat Zien (Je rode rokje), door Kees Prins gezongen (Je staat te zwiepen op je hakken van plezier) wat erg melig en gewoon komisch is: hoe vaker je er naar luisterd hoe meer het op je lachspieren gaat werken. Het bekendste nummer op deze CD is Mijn Club, dat in 1997 nog los in de de Tipparade heeft gestaan, en samen met het nummer Oh Oh Oranje (Kees Prins als Melvin) de Nederlandse Top 40 heeft gehaald. Goede satire!

Ice-T – VI: Return Of The Real (1996)

Hoewel Rap niet bepaald mijn ding is, ben ik wel van mening dat er goede en slechte Rap is. Helaas pakt deze CD van Ice-T mij niet. Het is een grote woordenbrij. Het in mijlenver verwijderd van bijvoorbeeld The Streets en De la Soul wat mij betreft. Toch heb ik wel respect voor de man. Na zijn rapcarriere heeft hij een behoorlijke staat van dienst als acteur opgebouwd (Law & Order: Special Victims Unit) en niet bepaald onverdienselijk. Ice-T kan ook heus wel iets. Als je regelmatig en achter elkaar Return of the Real gaat beluisteren kom je vanzelf in een flow terecht, dan kom je in een wereld van misdaad, gangsters, cops en pimps, en uiteindelijk begrijp je dan vanzelf hoe die wereld ook echt een realiteit is, terwijl je er tegelijkerteit niets van begrijpt. Return of the Real neemt je mee naar de straat, naar de beleveniswereld van een gangster. Het grijpt je naar je strot en toch doet het je niets. De inhoud is niet afstandelijk, en het is zeker ook wel oorspronkelijk: het probleem met Return of the Real is, is dat het allemaal een grote herhalingsoefening is. Het is allemaal meer van hetzelfde. De humor ontbreekt. Misschien is dat het wel wat er aan ontbreekt. Humor! Ik denk dat ik nog maar een bakkie ijsthee neem om deze wrange smaak van punishment and crime mee weg te spoelen.

Sylvester – Call Me (1983)

Ik kan me zo voorstellen, ja ik heb het zelf allemaal gezien, dat jongeren in de jaren zeventig op dit soort muziek in discotheken helemaal los gingen. Maar wat mij betreft had je toen ook al goede en slechte Disco. Deze CD is nogal overgeproduceerd, en hoewel Sylvester uit Los Angeles kwam, en ook wel te vergelijken valt met andere artiesten als The Weather Girls, Armanda Lear en Cerrone, kan dit net zo goed Eurodisco zijn. Het zit vol met synthezisers en drumcomputers. Over vals sentiment kun je zelfs niet eens spreken, het is veel erger dan dat. Het is helemaal niets. Call Me, is waarschijnlijk niet zijn beste CD, ik zou het niet weten; zijn debuut maakte hij al in 1973, maar het mist diepgang en is een grote monotone brij van klanken. Het is betekenisloos. Deze nietszeggendheid is echter ook weer een soort kracht. Sylvester had namelijk wel degelijk een boodschap. Hij wilde weldegelijk dat je naar hem luisterde. Maar zoals sommige artiesten vergeten zijn en ook goede muziek maakten, zijn sommige artiesten vergeten omdat ze geen kwaliteit hadden: alles is nagemaakt, niets is orgineel (vergelijk de hoes maar eens met Nightclubbing van Grace Jones) en vooral niets is oorspronkelijk. De geschiedenis van de popmuziek zit vol met dit soort voorbeelden. Er is tenslotte meer slechte muziek gemaakt dan goede. Dat is geen waardeoordeel maar een constatering. Call Me van Sylvester doet je beseffen dat je echt niet iedereen wil bellen, en dat je hem wel zal spreken als je hem een keer tegenkomt. Goede muziek, dude, maar helaas niets voor mij.