Recensies 1493 – 1623

Texas – Southside (1989)

Niet afkomstig uit een stad uit Texas natuurlijk maar uit Glasgow (Album Top 1760 – o.a. Bert Jansch, Battlefield Band, Simple Minds, Donovan en Franz Ferdinand) had Texas met dit debuutalbum een aardige hit te pakken met de single I Don’t Want A Lover. Een lekker in het gehoor liggend slidegitaarnummer, dat aan Ry Cooder doet denken. Texas vergelijk ik altijd een beetje met Garbage. Deze van Texas zit een beetje tussen pop en rock in. En deze van de uit Schotland afkomstige band vind ik net iets fijner om naar te luisteren dan die van die Amerikaanse band zoals hieronder beschreven, waarvan ik Everyday Now trouwens weer een van de weinige betere nummers vind. Want niet het hele album kan me eigenlijk boeien. Er staan wat mij betreft een paar nietszeggende nummers op, zoals Tell Me Why, Faith en Fool For Love. Van het verhaal over de oprichting van Texas zou zomaar zo’n Engelse feelgood film gemaakt kunnen worden (Local Hero, The Englishman Who Went Up a Hill But Came Down a Mountain, The Full Monty, Brassed Off, Sunshine on Leith – met die aanstekelijke muziek van die andere Schotten The Proclaimers): drie kappers besluiten samen om een bandje te beginnen, waarvan een van de bandleden een nicht is van een ander bandlid van de ongeveer op hetzelfde moment opgerichte groep Gun (Mark Rankin van Gun is de neef van zangeres Sharleen Spiteri van Texas) en een ander, Stuart Kerr (van Texas), dezelfde achternaam heeft als de broer van weer een ander bandlid van diezelfde groep (Gun), en die dan weer wel de broer (Mark Kerr) is van een zanger van weer een andere band (Jim Kerr van Simple Minds). Zover ik weet is Stuart Kerr geen familie van de twee andere Kerr’s. Maar ik kan me vergissen. Geproduceerd door Tim Palmer (AT1760 – The Mission, Tin Machine). En wereldwijd uitgebracht door Mercury/Phonogram.

Moonspell – Irreligious (1996)

Moonspell is een Portugese gothic metal band. Opgericht in 1992. In 1994 verscheen er al een EP van deze heren uit de Portugese stad Amadora, genaamd Under the Moonspell. In 1995 kwam hun echte debuut Wolfheart uit, dat nog als black metal omschreven kan worden. En in februari van dit jaar kwam hun twaalfde album Hermitage nog uit. Irreligious was hun tweede album. Ik moet zeggen Irreligious is een lekker klinkend geheel. Met veel atmosfeer over monniken, wolven en kerkklokken. Middeleeuwse perversies? Jazeker dat zit er allemaal in. Het is allemaal lekker duister, sinister, onvoorspelbaar en afwisselend. Al zit het misschien hier en daar een beetje tegen de bombast aan, maar het klinkt zeker in het geheel niet storend. Sterker nog, heb zelf het idee dat ze daar de spot mee drijven. De zanger Fernando Ribeiro (ook verantwoordelijk voor alle teksten) gebruikt zijn lage diepe stem om alles behoorlijk wat lading te geven, met af en toe een grunt. Door het hele album heen staan verschillende goede gitaarsolo’s van gitarist Ricardo Amorim. Een van de beste nummers is A Poisoned Gift, dat net als de meeste andere nummers overigens, niet zullen misstaan als achtergrondmuziek in een goede horrorfilm. En daarover gesproken gaat Herr Spiegelmann over het hoofdpersonage van Patrick Susskinds roman Het Parfum. Een ander hoogtepunt is Full Moon Madness, dat een klein dramatisch meesterwerkje genoemd kan worden. Geproduceerd door de in Duitsland wonende Pool Waldemar Sorychta die ook het Mandylion album van The Gathering heeft gedaan en Karmacode van het Italiaanse Lacuna Coil in mijn lijst met 1760 albums. Irreligious wordt door velen beschouwd als hun beste werk. Ik heb zelf alleen maar dit album van deze Portugezen. Of dat inderdaad zo is kan ik dus niet zeggen. Maar als je klaar bent met het beluisteren van dit album heb je een intense luisterervaring achter de rug. Mij bevalt dit album uitstekend.

Garbage – Version 2.0 (1998)

Niet echt een heel bijzonder album van deze band, met die drummer, Butch Vic, die zeven jaar eerder werkzaam was als co-producer van Nevermind van Nirvana. Beste nummers zijn eigenlijk alleen I Think I’m Paranoid en The Trick Is To Keep Breathing. Maar die vind ik dan weer wel heel aardig. Een monotone eentonige brij van geluid, meer is het eigenlijk niet echt wat er is te horen op deze schijf. Zeker heeft het een aantal momenten waarvan je kunt denken dat dat spitsvondig gevonden is. Maar het meerendeel van de minuten die je tijdens het beluisteren van dit album moet wegslikken, is een ware beproeving. Ik heb er geen enkele emotionele binding mee. Het grijpt me niet aan. De zang klinkt afstandelijk en van de teksten van zangeres Shirly Manson begrijp ik ook al helemaal niets. Alles klinkt in feite hetzelfde en lijkt de repeat knop constant in gedrukt te staan. Soms klinkt het allemaal ronduit irritant. Maar dan kom je erachter dat het nog veel irritanter kant zijn, zoals Hammering In My Head. Verder komt Don’t Worry Baby van The Beach Boys ook nog voorbij drijven in het nummer Push It. Is Special gewoon The Pretenders. En verder hoor je allemaal riedeltjes, samples, rifjes, plofjes en deuntjes die je al eens eerder op andere albums hebt gehoord. Niet echt origineel allemaal.

Roosbeef – Ze Willen Wel Je Hond Aaien Maar Niet Met Je Praten (2008)

Is net als het onderstaande album van Tangarine uitgebracht door Excelsior Records. Alternative rock uit Nederland. Opgericht in 2003 door de toen vijftienjarige leadzangeres Roos Rebergen. In 2005 won de band de Grote Prijs Van Nederland in de categorie Singer/Songwriter. Roosbeef bestaat op dit album uit Roos Rebergen (zang, piano, accordeon), Reineer van den Haak (gitaar), Harmen de Bresser (bas, contrabas) en Tim van Oosten (drums). Dit album uit 2008 valt vooral op door de interessante teksten, die een beetje doen denken aan Spinvis. Het zijn eigenlijk nog net geen gedichten. Maar ze zijn geschreven zoals mensen met elkaar praten. Ze komen zeer direct over en spreken mij in iedergeval wel aan. Zangeres Roos Rebergen zingt op een manier alsof ze smeekt dat je alles nog maar eens een keer moet heroverwegen. Ze geeft je advies. Ze lijkt alles net even iets anders te zien dan de luisteraar. En dat allemaal toch op een vriendelijke manier. In de teksten zitten allemaal dubbelzinnigheden. Met zinnen als “‘k geef hem zonnebrandcreme mee, want daar schijnt pas echt de zon” in Jongen Gaat Het Leger In. Er zit verder geen dwang achter. Ze constateert alleen maar heel veel. Zeer prettig om naar te luisteren. Onderandere opgenomen in SSE in Weesp (ALBUM TOP 1760 – Bettie Serveert, zZz, Alamo Race Track, Tangarine). Geproduceerd door de Belg Tom Pintens, die op dit album ook op een paar nummers meespeelt op klarinet, piano, akoestisch gitaar en synthesizer. Ze Willen Wel Je Hond Aaien Maar Niet Met Je Praten is een soms stevig rockalbum met intelligente teksten, een goede zangeres en met heel veel lucht in de nummers zelf. En soms heeft het iets van kleinkunst weg. Het geeft rust om na te denken en net alles anders te zien zoals de dingen vaak lijken te zijn.

Tangarine – Seek & Sigh (2013)

Hoewel de broers, Sander en Arnaut Brinks, voor dit album verscheen al eerder van 2008 tot en met 2010 wat projecten hadden uitgebracht, kun je deze rustig als hun debuut bschouwen. En wat volhouden betreft en geloven in jezelf, zijn deze twee broers, oorspronkelijk afkomstig uit Lelystad maar opgegroeid in Assen, ware kampioenen. Uitgebracht door Excelsior Records (ALBUM TOP 1760 – o.a. Johan, Moss, zZz en Anne Soldaat), vind ik dit album toch een klein meesterwerkje. Heel mooi geproduceerd met prachtige folkpop- en countryliedjes, door Frans Hagenaars en Matthijs van Duijvenbode in Studio Sound Enterprise in Weesp, doen deze jongens toch een beetje denken aan Simon & Garfunkel, en een enkel nummer zoals Motion Of Light zelfs aan The Everly Brothers. Walls Around My Soul had zomaar door Paul Simon gezongen kunnen zijn. En de Past In Us is gewoon psychedelishe muziek met Matthijs van Duijvenbode op keyboards. En dat bedoel ik echt als een compliment. Want alle nummers met een uniek eigen geluid en met hun stemmen die zo mooi bij elkaar passen. Invloeden van Gram Parsons, Townes Van Zandt, The Byrds, komen op dit album allemaal voorbij. Erg knap gedaan. Deze jongens uit Lelystad verstaan het vak van het schrijven van pakkende liedjes. Grote talenten die nu misschien niet meer zo in de aandacht staan helaas (en ja, wie eigenlijk tegenwoordig nog wel). En dat is jammer. Want ze verdienen dat zeer beslist. Seek & Sigh uit 2013 is toch een beetje tot een soort van cult album uitgegroeid. Een voor Nederlandse begrippen onwijs goed album. De broers mogen oprecht trots zijn dat ze dit hebben weten te maken. Het had zomaar ergens in de jaren zeventig gemaakt kunnen zijn, en de broers hadden zomaar in Toponga of Laurel Canyon kunnen wonen. Maar misschien dat ik nu een beetje teveel doordraaf.

Alison Krauss & Union Station – Lonely Runs Both Ways (2004)

Krauss heeft een aantal soloalbums op haar naam staan, maar deze is met haar begeleidingsband Union Station met wie ze zes albums heeft ogenomen, en allemaal voor Rounder Records (ALBUM TOP 1760 – Boozoo Chavis and the Magic Sounds, Jo-El Sonnier, Steve Young, Nathan and the Zydeco Cha Chas, Steve Martin and the Steep Canyon Rangers). Dit album is een combinatie van country en bluegrass, met toch de nadruk op bluegrass. Mooiste nummers zijn Rain Please Go Away, My Poor Old Heart, Doesn’ t Have To Be That Way, de Woody Guthrie cover Pastures Of Plenty, en het instrumentale Unionhouse Branch. Toevallig zijn dit allemaal nummers die me doen denken aan de film O Brother, Where Art Thou? van de Coen Brothers (waar Krauss zelf en bandlid van Union Station, Dan Tyminski, muzikaal sterk mee te maken hebben gehad). Helaas spreken de meer country achtige nummers, gezongen door Krauss, me iets minder aan. Maar dat zijn er eigenlijk niet zo heel veel. Die zijn me een beetje te zoetzappig en te gladjes, zoals het openingsnummer Gravity, Goodbye Is All We Have, Crazy As Me en Wouldn’t Be So Bad (van Gillian Welch). Niet dat er iets mis is met de stem van Krauss, want die is beslist doorleeft en gevoelig. Deze nummers zoals Restless, Borderline en Living Prayer, zitten misschien nog net op het randje, maar ik vind het toch allemaal iets te braaf. Toch is het een goed album, mede dankzij Dan Tyminski (zang, gitaar, mandoline) en de andere bandflden van Union Station. Ik heb ook nog een ander album van Krauss in mijn 1760 lijst, Raising Sand, een samenwerking met Robert Plant. En die bevalt me stukken beter. Maar dit album bevat voor m’n gevoel nog net genoeg mooie bluegrass om het goed te vinden.

Pistol Annies – Hell On Heels (2011)

Countrypop uit Nashville. Pistol Annies bestaat uit Miranda Lambert, Ashley Monroe en Angaleena Presley (nee geen familie). Zijn ooit bij elkaar gekomen na een TV Special in 2011, Girls’ Out: Superstar Women of Country. Niet veel later in hetzelfde jaar verscheen dus dit album. En ooit gekocht, ja waarom weet ik eigenlijk niet meer. Maar ik moet zeggen, deze muziek staat me niet tegen. Het is beter dan je meteen zou denken als je dames zo ziet op de hoes van de CD. Country muziek wordt vaak met goede intenties gemaakt. Het is eerlijk, recht voor zijn raap en bestaat vaak uit goede muziekanten. Zo ook dit album, door onderandere gitarist Randy Scruggs (ALBUM TOP 1760 – Waylon Jennings), zoon van Earl Scruggs, bassist Glenn Worf (ALBUM TOP 1760 – Mark Knopfler and Emmylou Harris), drummer Matt Chamberlain (ALBUM TOP 1760 – The Wallflowers, Ron Sexsmith, John Mayer, Stevie Nicks, Fiona Apple), en ook op gitaar Richard Bennet (AT1760 – Mark Knopfler and Emmylou Harris, The Mavericks). Ashley Monroe zelf staat overigens ook in mijn 1760 lijst met een soloalbum. Van de andere twee dames heb ik niets, maar hebben ook verschillende soloalbums uigebracht. En de dames hebben zeer zeker mooie stemmen die bij elkaar passen. Vooral de uptempo nummers zijn goed te verhapstukken. Bad Example (lijkt wel erg op Jambalaya (On The Bayou), Housewife’s Prayer, The Hunter’s Wife en Family Feud. Pistol Annies hebben tot 2018 drie albums uitgebracht.

Nikki Lane – Highway Queen (2017)

Op dit tien nummers tellende alternative country album zingt Nikki Lane over 700.000 rednecks, over de koningin van de snelweg, over grote monden en over modderige wateren. Highway Queen is Lanes derde album en haar tweede voor New West Records (ALBUM TOP 1760 – Steve Earle, Robert Ellis, Daniel Romano, All Them Witches). Het is een album dat me zeer bevalt. Lane zingt met een haast duistere ondertoon zeer humoristisch over teleurstellingen in haar leven. Ze weet alles precies te raken. Er is echter geen bitterheid in de teksten terug te vinden. Het leven is zoals het is. Een van die liedjes, Jackpot, gaat over een romantisch avontuurtje in gokstad Las Vegas. Lay You Down gaat over afscheid nemen van een dierbare. Big Mouth gaat over roddelen en over valse geruchten verspreiden in een kleine dorpsgemeenschap. En Companion, een van de mooiste liedjes, gaat over trouw en onvoorwaardelijke liefde. Er zit nog net geen snik in, maar Lane zingt wel met een betoverende hese stem. Op al die liedjes. Ze kijkt terug op haar leven; naar teleurstellingen, mislukkingen en verloren liefdes, maar geeft niemand de schuld. Ze zet haar schouders er onder en gaat verder; om te zoeken naar nieuwe uitdagingen en nieuwe horizonnen. Highway Queen is een soort van roadmovie, het raakt je midden in je hart. En Niki Lane schrijft prachtige teksten, poetisch haast. Hoe vaker je naar dit album luisterd hoe beter het wordt. Nikki Lane is tegelijkertijd een American Outlaw en een sweetheart of the rodeo. Een dochter van Dolly Parton en een nichtje van Lucinda Williams en Margo Price. Een groot talent dus. Onderandere opgenomen in The Echo Lab in Denton, Texas (AT1760 – Shearwater).

Albums 1591 – 1600

Jon and the Nightriders – Fiberglass Rocket (1996)

Wat me aan dit album bevalt is dat het laat horen dat oprichter, archivaris en schrijver van een paar boeken over de geschiedenis van surfmuziek, John Blair, meer dan een uitstekend gitarist is. Opgericht in 1979 in Riverside, Californie, en debuterend met een album uit 1980 genaamd Surf Beat ’80, trad Jon and the Nightriders voornamelijk op in de Los Angeles nachtclub scene. Tot 2000 hebben The Nightriders acht albums uitgebracht. De band heeft zeker bijgedragen aan de opwaardering van surfmuziek in het algemeen. Het is alsof je met dit album terug gaat in de tijd. Depth Charge, het eerste nummer meteen al, is een voorbeeld van surf dat ze in de jaren zestig al maakten. Je wilt als het ware hierdoor automatisch je surfplank (de fiberglass rocket) pakken en de wildste golfen berijden. Maar kijk uit voor de onderstroom want daar liggen deze heren op de loer. Ze pakken je vast en laten je niet meer los. Erg inspirerend allemaal. Want deze heren schudden surf uit hun mouw alsof het allemaal niets is. Behorend bij de second wave of surf, is dit album misschien niet zo interessant als bijvoorbeeld die van The Blue Stringrays, maar het is zeker wel beter dan die van Laika and the Cosmonauts. De zestien nummers, zijn allemaal van een goed niveau. En er staan een paar klassiekers op zoals Apache en Hurricane (The Shadows o.a.) en ook een nummer van Los Straitjackets genaamd Tailspin. Jon and the Nightriders neemt geen moment gas terug. En dat bevalt me wel. Uitgebracht door Atomic Beat Records. En geproduceerd door John Blair zelf.

Dick Dale – Calling Up Spirits (1996)

Er staan twee albums van Dick Dale in mijn 1760 lijst. Deze en een van Dick Dale and his Del-Tones. Dale hoort wat mij betreft op z’n minst in het rijtje Les Paul, Duane Eddy, Leo Fender en Chuck Berry thuis. Is erg belangrijk geweest voor gitaristen in het algemeen. Ooit gekocht op een rommelmarkt is deze bij vlagen aangenaam om naar te luisteren, hoewel dat maar een paar spaarzame momenten zijn. Een paar uitzonderingen zijn Nitrus, The Wedge Paradiso (Dale op trompet) en Third Stone From The Sun, de cover van Hendrix. Het is onvervalste surf, of in dit geval surf revival, maar niet de beste die er is. Bij al die nummers zoals The Pit, Doom Box, Catamount, Calling Up Spirits, Temple Of Gizeh en Bandito komt dan wel de rook uit de versterker, de vonken uit de gitaar, en zijn de drummers Prairie Prince (AT1760 – Chris Isaak) en Scott Mathews (ALBUM TOP 1760 – John Lee Hooker) nog zo vaak hard aan het beuken alsof hun levens er vanaf hangen, dat wil niet altijd zeggen dat het dan ook altijd goed is. Fever, ook een cover, valt een beetje uit de toon en is een van de vocale nummers. Window ook een vocaal nummer kan me zelfs helemaal niet boeien. Peppermint Man wel, want daar zit een leuk Hammond orgeltje in van Vince Welnick (ALBUM TOP 1760 – The Tubes), welk nummer overigens ook op Surfer’s Choice staat, zijn album met zijn Del-Tones. Wie voor het eerst naar surf muziek wil luisteren, kan ik deze CD helaas niet aanraden. De geschiedenis van surf is veel rijker dan deze van Dale. Ook al is hijzelf misschien wel de standaard van het hele genre. In ieder geval wat de instrumentale surf betreft. Ik ken betere surf albums dan deze van “The King Of The Surf Guitar”. Maar de man blijft natuurlijk een legende.

Soft Cell – Non-St0p Erotic Cabaret (1981)

Het duo Marc Almond en David Ball debuteerden met dit album in 1981. Tainted Love is het meest bekende nummer op dit album. En dat heeft wel iets. Zoals het hele album wel iets heeft. Zoals de titel van het album al aangeeft voelt het inderdaad ook wel iets als cabaret aan. Maar dan meer in de sfeer van Cabaret van de gelijknamige film uit 1972 met Liza Minnelli en Michael York. Underground cabaret over verboden liefdes, geheime levens, frustraties, pornobioscopen etc. Je kunt je alleen misschien wel afvragen of dit alles een parodie is, of dat deze muzikanten serieus waren over dit soort onderwerpen. In de tekst in het inlegboekje van de CD zegt Marc Almond dat de muziek op dit album een peepshow is. Het gaat niet over emoties maar over wat je ziet. Behorende bij de New Romantics stroming (ALBUM TOP 1760 – o.a. ABC, Japan, Duran Duran en A Flock Of Seagulls) vind ik dit album misschien minder goed dan die van die andere bands, maar ongeloofwaardig wordt het nooit. Seedy Films, over inderdaad films in pornobioscopen, is zelf verboden geweest in de U.K. Dan heb je wel iets bereikt zou je dan misschien wel kunnen denken. En dat nummer is zeker geloofwaardig. Hoe je ook over het onderwerp denkt. Niet het hele album is evenwichtig, helaas, Entertain Me en Chips On My Shoulder zijn gewoon puberaal gebrabbel op een synthesizer. Sommige nummers zijn wel van een goed niveau. En dat zijn er een stuk of vier. De productie van dit album heeft nauwelijks iets gekost. En dat kun je horen. Dat geeft het een plus. Geproduceerd door Mike Thorne (AT1760 – Wire). Uitgebracht door Some Bizarre Records ( AT1760 – The The, Einsturzende Neubaten). En gedeeltelijk opgenomen in Advision Studios in Londen (AT1760 – Yes, Osibisa, Wire, Gentle Giant, The Yardbirds, Pet Shop Boys).

Eurythmics – Touch (1983)

Synth-pop uit de jaren tachtig. Altijd interessant. Maar is beslist dus niet het beste synth-pop album in mijn verzameling. Touch was het derde album van Annie Lennox en Dave Stewart. Het kwam uit in 1983, zowat een jaar na Sweet Dreams (Are made Of This). De gelijknamige single van dat album heb ik altijd het beste nummer gevonden dat ze gemaakt hebben. De drie singles Who’s That Girl, Right By Your Side en Here Comes The Rain Again van dit album, vind ik dus duidelijk minder, ook al is Right By Your Side een soort van tropische verassing met die calypso aanpak. Maar Who’s That Girl is een irritant langzaam nummer. Als ze er meer een uptempo uitvoering van hadden gemaakt had ik het misschien beter gevonden. Regrets doet denken aan een nummer van Grace Jones, en doet Annie haar best om enige diepgang aan alles te geven. Wat haar ook lukt, want Regrets is gewoon een goed nummer met Dick Cuthell (ALBUM TOP 1760 – XTC, The Poques, The Specials) op de achtergrond op blaaswerk. Cool Blue is echter een verschrikkelijk wanprodruct en is ronduit gemakzuchtig gemaakt. The First Cut en Aqua (misschien wel het beste nummer) is wel leuke synth-pop, ook met wat diepgang waarbij de synth wel op een creatieve manier goed is gebruikt naar mijn smaak. Ze doen ook aan Grace Jones denken maar is dus spannend en overtuigend. En Paint a Rumour heeft ook blaaswerk. Eindconclusie van dit album is dat Annie Lennox een mooie stem heeft maar dat het soms wel erg veel lijkt op Grace Jones dus. Is dat erg? Nee in dit geval niet. Ik vergeef het ze. Geproduceerd in The Church Studios in Londen.

The Cross – Mad: Bad: And Dangerous To Know (1990)

Opgericht door Roger Taylor van Queen. The Cross uit Engeland heeft in totaal maar drie albums gemaakt, waarvan dit het tweede was, en ik alleen deze heb. In 1993 is Taylor met dit project alweer gestopt omdat met name die derde CD niet bepaald goed verkocht en maar in een paar landen werd uitgebracht. Ik vind dit album iets beter dan Happiness?, het soloalbum van Taylor in mijn 1760 lijst, dat niet bepaald verheffend is. En deze is ook niet echt goed, helaas. Maar het is wel een echte gitaarplaat dankzij de onbekende gitarist Clayton Moss en Taylor zelf ook. Taylor die in deze periode met het promoten van The Miracle van Queen bezig was, was met The Cross net als bij Queen een gewoon bandlid. Taylor heeft maar twee nummers geheel eigenhandig geschreven en het derde is een gezamelijke compositie met de andere bandleden (Edney, Noone, Macrea, Moss). Een van de weinige hoogtepunten is een cover van Foxy Lady van Hendrix. Liar is ook wel aardig, als enige nummer dat niet door Taylor geschreven is. En Better Things, het enige nummer dat niet door Taylor is gezongen, is zelfs het meest verfrissende. Voor de rest is het allemaal niet spectaculair. Opgenomen in de Mountain Studios in Montreux (o.a. Going For The One van Yes, Black and Blue van de Stones, Lodger van Bowie, zes Queen albums, en ook een aantal albums in mijn 1760 lijst zijn daar gedeeltelijk opgenomen, zoals Back To The Light van Brian May en On The Beach van Chris Rea). Waar ik wel waardering voor heb is dat Taylor in staat was om een echte rockband te starten (in ieder geval op dit album) naast al zijn werk met Queen. Maar dat is het dan ook.

Geddy Lee – My Favorite Headache (2000)

Ik ben een groot Rush liefhebber. Geddy Lee is altijd een van mijn favoriete bassisten geweest. Toen dit album in 2000 uitkwam heb ik hem dan ook meteen gekocht. Maar helaas ik vind hem niet zo goed als het soloalbum van Alex Lifeson dat ik heb, laat staan wat Geddy Lee allemaal met Rush heeft gedaan. Uitgebracht in 2000, dus in de periode tussen Test For Echo uit 1996 en Vapor Trails uit 2002 (toch eigenlijk niet mijn favoriete Rush periode, ik ben eigenlijk meer een liefhebber van alles tot en met Power Windows uit 1985: alles voor ’85 vind ikzelf uitmuntend en alles daarna uitstekend tot gewoon goed). Misschien is het zo’n typisch bassistenalbum van een bassist die geen bassistenalbum wil maken, ik weet het niet. Het is een beetje saai, vlak en eentonig. Er zit weinig variatie in de nummers. Misschien dat Lee ook te veel heeft willen doen. Hij speelt op dit album bas, gitaar, percussie en piano. Matt Cameron van Pearl Jam en Soundgarden, en in mijn 1760 lijst ook te horen op het album van The Prodigy speelt drums, en Men Mink, die ook betrokken was bij de productie en die wel eens met Rush heeft opgetreden, speelt gitaar, viool en viola. Die paar goede nummers die er op staan zoals The Angels Share en Grace To Grace zijn wel aan te horen, natuurlijk, maar aan het hele album verder valt weinig te ontdekken. De kracht van dit album is dat het net zo goed een Rush album had kunnen zijn (het had zomaar tussen die laatste Rush albums als Vapor Trails, Snakes & Arrows en Clockwork Angels gepast), en de zwakte is dat Geddy Lee hier geen eigen geluid laat horen. Toen ik dit album ooit kocht had ik hier misschien wel een beetje op gehoopt.

Lou Rawls – All Things In Time (1976)

Op dit album staat de grote hit en zijn meest bekende nummer You’ll Never Find Another Love Like Mine. All Things in Time gaf Rawls carriere een nieuwe boost. Hij stond voornamelijk als jazz zanger bekend. De man heeft vanaf 1962 iets van vijfenzeventig albums opgenomen, varierend van jazz, gospel, blues en soul. Maar All Things In Time is een soul album met hevige jazz invloeden. Wat ik hieronder bij Teddy Pendergrass vermeld heb is dit ook een Gamble en Huff album en ook opgenomen in de Sigma Sound Studios en uitgebracht door Philadelphia International Records. Bij dit label kwam hij terecht nadat hij voornamelijk bij Capitol en MGM albums had uitgebracht. Hij zou in totaal iets van zeven albums bij PIR uitbrengen. Vier nummers op deze CD zijn van Gamble en Huff: You’re the One, You’ll Never Find Another Love Like Mine, Groovy People en This Song Will Last Forever, twee nummers zijn van PIR arrangeur Bunny Sigler, Need You Forever en From Now On (het zwakste nummer van het album) en er is ook een nummer genaamd Pure Imagination, van Leslie Bricusse en Anthony Newley (ALBUM TOP 1760 – Willy Wonka & The Chocolate Factory) en van wie er meerdere nummers op albums in mijn 1760 lijst zijn terug te vinden (Muse, Sergio Mendes & Brasil ’66, Nancy Wilson en Van Morrison with Georgie Fame & Friends). Ik vind dit nummer samen met Your The One, You’ll Never Find en het afsluitende Let’s Fall in Love All Over Again, van het hele album het lekkerste in het gehoor liggen. Voor mensen die vroeger fan waren van de televisieserie Love Boat is dit het perfecte album.

Teddy Pendergrass – Teddy (1979)

Soulzanger Teddy Penendergrass maakte deel uit van de Philly Sound. Was ooit de leadzanger van Harold Melvin & the Blue Notes (bekend van If You Don’t Know Me By Now, ook gecovered door Simply Red en Don’t Leave Me By Now door The Communards). Pendergrass heeft ooit concerten gegeven die alleen toegankelijk waren voor vrouwen. Hij was te vergelijken met Marvin Gaye en Barry White. In 1985 heeft hij opgetreden op Live Aid. Dit soort muziek wordt ook wel omschreven als slaapkamermuziek. En ik moet zeggen dit album heeft wel wat. Eigenlijk is elk nummer raak. De zoetgevooisde stem van Pendergrass werkt. Ik kan me wel voorstellen dat vrouwen alleen al door zijn stem gek op deze man waren. Een aantal nummers swingen de pan uit. If You Know Like I Know, Do Me en Life is a Circle. En ook de ballads zijn mooi. Come Go with Me, Turn Off the Lights, I’ll Never See Heaven Again, All I Need Is You en Set Me Free. Ze zijn alemaal romantisch van toon. Teddy is een typisch Gamble en Huff album. Drie nummers zijn ook door hen geschreven. Beide oprichters van het Philadelphia label, hebben de twee als producers en muzikanten talloze Philly Sound albums op hun naam staan. Het album is opgenomen in de Sigma Sound Studios in Philadelphia (ALBUM TOP 1760 – The O’Jays, MFSB, The Trammps, Lou Rawls). Geproduceerd door Kenny Gamble, Leon Huff en ook Thom Bell (The Delfonics). Uitgebracht door Philadelphia International Records (ALBUM TOP 1760 – The O’Jays, People’s Choice, MFSB, Lou Rawls)

Face Tomorrow – In The Dark (2008)

Komt net als Lewsberg in mijn 1760 lijst uit Rotterdam. Is opgericht door gitarist Aart Steekelenburg en heeft tot 2012 bestaan. De band heeft in totaal vijf albums gemaakt. In The Dark was de derde. Spelen indie rock op dit album, en werd ooit gezien als de grote belofte van de Nederlandse Rock. Misschien zou je kunnen zeggen dat alle nummers op dit album erg op elkaar lijken, dat er een aantal momenten van ergenis zijn, en dat het wat afstandelijk is allemaal. Maar als je er een paar keer naar luisterd weet de helft van het album je op z’n minst wel te boeien. Maar meer is het niet. Alle nummers zijn allemaal zo ongeveer in hetzelfde tempo gespeeld: met emotionele uitbarstingen van pijn en geklaag en met een depressief makende stem. Maar wel, dat moet worden gezegd, met stemmige gitaren en met af en toe een stevig geluid. De stem van de zanger Jelle Schrooten doet op Static Eyes en The Mess overigens denken aan die van Racoon zanger Bart van der Weide. Maar dat is geen diskwalificatie. In feite zijn dat de enige vocale nummers die me echt weten te raken. Overpowered is veel gedraaid op de radio, maar is eentonig en vlak. The Stranger en Trial and Error (de andere single) zijn ronduit saai. On My Own is spannend. Memories een instrumentaal nummer vind ik persoonlijk het interessantste: niet omdat er een stem aan ontbreekt maar om het prima gitaarwerk van Aart Steekelenburg. En wat mij betreft is hij dan ook de meest opvallende persoon van dit album. De hoes is trouwens van zeefdrukkunstenares Mara Piccione, wiens werk je op deze instagrampagina kunt bewonderen. Geproduceerd door Martijn Groeneweld (Bertolf, Tim Akkerman, Blaudzun, Ricky Koole) in zijn Mailmen Studio in Utrecht, en uitgebracht door Excelsior (ALBUM TOP 1760 – o.a. Johan, Moss, zZz, Anne Soldaat, Tim Knol en Ceasar).

Vicente Amigo – Ciudad De Las Ideas (2000)

Amigo is een flamencogitarist uit Spanje. Zijn album Ciudad De Las Ideas (zijn vijfde album) heeft in 2001 een grammy award gewonnen voor het beste flamenco album van dat jaar. En terecht, want als je er zo naar luisterd moet ieder album van deze man een prijs winnen. Amigo, zoals de meeste flamencogitaristen helaas, misschien in Nederland niet zo bekend, kun je qua techniek rustig vergelijken met andere Spaanse meesters als Nino Josele, Paco Pena, Pepe Romero, Tomatito en met de wat meer bekendere grootheden als Paco De Lucia en Al Di Meola. Op dit album staan acht indrukwekkende gitaarstukken. Complexe muziek misschien, maar heerlijk om naar te luisteren. Met op het tweede nummer La Tarde Es Caramelo (Alegrias) en nog meer op het vijfde nummer Bolero de Vicente, een heus orkest en een stemmingvolle harmonica. Misschien is dit niet een traditioneel flamenco album. Je hoort ook jazz invloeden in Compare Manuel (Tangos). Op Tata hoor je trompet en saxofoon. Op Cordoba (Solea) hoor je Amigo alleen op zijn flamenco gitaar. Op het laatste nummer Ciudad de las Ideas staat hij in dienst van de zanger. Flamencogitaristen (en fadogitaristen) zoals Amigo, hebben allemaal een fabelachtige techniek. Kunnen van iedereen een wedstijdje gitaarspelen winnen. Maar gelukkig is muziek geen wedstrijd. Maar in de rust van elke wedstrijd mag je wat mij betreft rustig deze muziek laten horen. Ook al is dit album misschien niet het beste flamenco album dat ik in mijn verzameling heb. Maar zeer zeker de moeite van het luisteren waard. Vicente is een indrukwekkende gitarist. Uitgebracht door BMG Music Spain.

Albums 1601 – 1610

Cristina Branco – Corpo Illuminado (2001)

Cristina Branco kan iets met je doen. Een vrouw met een sterk karakter en met een grote uitstraling. Cristina Branco schijnt een speciale band met Nederland te hebben. Haar debuutalbum In Holland Live kwam in 1997 uit. En haar vierde album, Canta Slauerhoff, een door Mila Vidal Palleti in het Portugees vertaald album met gedichten van J. Slauerhof, kwam uit in 2000. Ook is ze te horen op het nummer Herinnering aan later van Blof. Corpo Illuminado kwam uit in 2001. Het is een betoverend album. Met prima gitaarwerk van een aantal gitaristen als Jorge Fernando, Alexandre Silva, Miguel Carvalhinto, Jose Fontes Rocha en Carlos Manuel Proenca. Branco zelf zingt met een mooie snik in haar stem. Je geloofd haar onmiddelijk. Bij Corpo Illuminado, Meu Limao de Amargura, Musa en Aconteceu, de eerste vier nummers, ben je meteen geinteresseerd om je aandacht er bij te houden. Je wilt beslist weten waar de zangeres over zingt. Want ze doet haar best om je te overtuigen. Natuurlijk gaat het hier bij deze fadozangeres ook weer om de liefde, de hunkering, de smacht, de tragiek en het onbereikbare. En dat is bij Branco dus ook in goede handen. Ook al zijn alle nummers niet door haarzelf geschreven en de meeste arrangementen van echtgenoot Custodio Castelo. Wie niet van deze muziek houdt moet wel een hart van steen hebben. Corpo Alluminado is vooral tijdloos. Mooie muziek om bij weg te dromen. Van fado en van vrouwen als Cristina Branco krijg je nooit genoeg. Je wilt altijd meer hebben dan dat ze je geven.

Camane – Pelo Dia Dentro (2001)

Pelo Dia Dentro, uit 2001, was het vierde album van Carlos Manuel Moutinho Paiva dos Santos Duarte, ook wel bekend als Camane. Deze Portugese zanger uit het stadje Oeiras, bracht zijn debuutalbum Uma Noite de Fados uit in 1995, en heeft sindsdien vele internationale prijzen gewonnen. Camane behoort bij de nieuwe generatie fado zangers. Als men fado muziek wil leren kennen moet men vooral bij deze zanger zijn, die zijn eigen nederigheid constant omhoog laat stijgen en nooit tevreden is met zijn eigen prestaties. Want het geheim van de schoonheid van de fado zit verborgen in zijn ziel. In een van die nummers (Marcha Do Bairro Alto-1995) zingt Camane dan ook dat fado zijn vader is en Lissabon zijn moeder. Zijn muziek is een ontdekkingstocht naar de oorsprong van deze muziek. Camane zingt zijn liederen met een trieste ondertoon en met een gepaste afstand: overdrachtelijk en met overtuiging. Met teksten die allemaal gaan over trouw, liefde, jeugd, religie, familie, vriendschap, over het genot van zingen, en over de liefde voor de stad Lissabon. Vijftien nummers dus over het leven zelf. Met een mooie begeleiding van Carlos Manuel Proenca op gitaar, Jose Manuel Neto op Portugese gitaar en Carlos Bica op dubbele bas. Voor de tekst en muziek zijn o.a. Manuela de Freitas, Pedro Tamen en Jose Mario Branco (zover ik weet geen familie van Cristina Branco) verantwoordelijk. Maar Pelo Dia Dentro heeft vooral heel veel diepgang. Echt heel mooi zijn Redond/Ilha, A Cantar E Que Te Deixas Levar, Complicadissima Tia en Sem Deus Nem Senhor. Het album is een boot op een rustig kabbelend riviertje dat je geduldig meeneemt langs alle belangrijke plekken van je leven. Camane is de stuurman bij wie je je dan veilig voelt. UItgebracht door EMI.

Mafalda Arnouth – Diario (2005)

Welkom in het muzikale dagboek van fado zangeres Mafaldo Arnouth. Waarin Arnauth haar poetische melancholie met veel passionele gedrevenheid aan de luisteraar laat horen. En met, een paar uitzonderingen daargelaten, zoals een mooie uitvoering van La Boheme van Charles Aznavour, allemaal eigen geschreven teksten. Dit zelf geproduceerde album is uitgebracht door Universal Music Portugal, nadat ze haar eerste drie albums had laten uitbrengen door EMI/Virgin. Begeleid door de drie uitstekende gitaristen Diogo Clemente en Ramon Maschio op klassieke gitaar en Paulo Parreira op Portugese gitaar. De begeleiding van Arnauth door deze drie muzikanten door het hele album heen, verdient al even veel lof als haar eigen zangkunsten. En dat maakt dit album dan ook zo aantrekkelijk. Het gitaarwerk op Improviso A Quatro Crescento bijvoorbeeld, door Diogo Clemente, en ook door Marino de Freitas op akoestische bas, en verantwoordelijk overigens voor alle arrangementen van alle nummers op het album, met een bewerking van een fuga van Bach, is niets anders dan een staaltje van technisch kunnen. Maar uiteraard moet de aandacht naar Arnauth zelf blijven gaan. Haar rustgevende en zalvende stem laat een ziel horen waarin pijn en verdriet en eenzaamheid schuil gaan. Met Braziliaanse en Argentijnse invloeden. Als je er een tijdje naar luisterd heb je de neiging om die ziel beter te willen begrijpen. Maar of dat lukt? Arnauth zingt op al die nummers op Diario in ieder geval wel of haar leven er van af hangt. Gedreven en breekbaar. Rasko De Luz en Por Dentro De Mim zijn prachtig. Er staan vijftien nummers op Diario met een totale speelduur van vijfenvijftig minuten. Maar dat had best langer mogen duren.

Joana Amendoeira – Setimo Fado (2010)

Geboren in 1982, behoord Amendoeira bij de nieuwe fado generatie. Echt bekendheid kreeg ze nadat ze voor het eerst in het openbaar had opgetreden in 1994 op de Grande Noite do Fado in Lissabon. Een jaar later nam ze deel aan de Noite do Fado in Porto dat ze won. Amendoeira is de jongste fadista die ooit een album heeft opgenomen. In de loop der jaren is ze regelmatig te bewonderen geweest in de fadohuizen van Lissabon. Setimo Fado is een album uit 2010. Je hoort op dit album niet alleen maar de klassieke Portugese gitaar, de altviool en de bas, maar ook piano, accordeon, cello en percussie. Dus dit is weer eens wat anders. Het bevat muziek en teksten van dichters en tekstschrijvers als Joao Fezas Vital, Jose Luis Peixoto en Pedro Tamen, maar ook van moderne fadistas zoals Bernardo Sassetti, Pedro Pinhal en broer Pedro Amendoeira en van haarzelf. De zeventien nummers op Setimo Fado laten veel grandeur horen, maar het zijn eigenlijk allemaal droevige liedjes. Je hoort een trotse vrouw zingen met haar borst vooruit. Trots en onverschrokken. Smachtend, verlangend, poetisch en prachtig. O Teu Olhar E Portugal, Fado Rosa Maria, Todas As Horas Sao Breves, Fim De Saudade, Quando Por Fim Amanhece. Fado waar je alleen maar van kan houden. Met een glaasje wijn in de hand en met deze muziek van het leven op de achtergrond, kun je de zwaarste stormen doorstaan. Fadistas als Moura, Branco, Fernando, Camane, Do Carmo, Arnauth, Lains, Amendoeira en Rodriques in mijn 1760 lijst, hebben wat mij betreft allemaal een overeenkomst. Het zijn allemaal artiesten die in staat zijn om je te laten beseffen dat muziek geen grenzen heeft en dat fado je emotioneel echt kan raken. Soms kun je denken was ik maar een Portugees. Maar ja, dan moet je weer tegen ze voetballen.

Jorge Fernando – Velho Fado (2001)

Als je van goede gitaristen houdt, moet je wel van flamengo maar ook van fado houden. En wat mij betreft dus ook van Jorge Fernando. Geboren in 1957, en ooit in de begeleidingsgroep van Amalia Rodrigues, en een drijvende kracht achter minder traditionele fadistas als Ana Moura, Joanna Amendoeira en Camane, is hijzelf als zanger en gitarist altijd wat blijven hangen tussen de meer traditionele oudere fado en de nieuwe fado generatie. Misschien wel iets minder succesvoller. Fado, het Portugese levenslied, gaat over verlangens, blijheid, heimwee, weemoed en melancholie. En dat is dus ook op dit album het geval. Mooie stemmige nummers als Chuva, Velho Fado en Quem Diria, verwoorden dit soort gevoelens met die zachtaardige en emotionele stem van Fernando. Er staat een werkelijk prachtige Brel vertolking van La Chanson Des Viuex Amants op (ook wel bekend als Liefde Van Later van Herman van Veen). Lagrima is geschreven door Amalia Rodrigues, en wordt gezongen door Argentina Santos. Alle andere nummers zijn van Fernando zelf. Het laatste nummer Ausente wordt gezongen door Christina Branco. Fado is op geen enkele manier te vergelijken met het Nederlandse levenslied. Dit gaat namelijk veel dieper. Het is poetischer, persoonlijker, zachtaardiger en emotioneler. Je kunt deze muziek onmogelijk slecht vinden. Ook is Fernando een voorbeeld van vele andere flamengo en fado gitaristen die qua techniek makkelijk de strijd aan kunnen met de grootste rockgitaristen. Felho Fado is uitgebracht door het Nederlandse Worldconnection label.

Los Fabulosos Cadillacs – Fabulosos Calavera (1997)

Los Fabulosos Cadillacs is een Argentijnse ska band. Opgericht in 1985 in Buenos Aires door Gabriel Fernandez Capello, Flavio Oscar Cianciarulo, Mario Siperman, Anibal Rigozzi en Fernando Ricciardi. Los Fabulosos Cadillacs is in de eerste periode actief geweest tot 2002, en daarna van 2008 tot 2018. De band wordt gezien als een van de invloedrijkste rock en espanol en alternative latin groepen van Argentinie en in de Latijnse rock wereld. Fabulosos Calavera uit 1997 was hun negende album, waarop gitarist Anibal Rigozzi niet meer te horen is en is vervangen door gitarist Ariel Minimal. De muziek is een uiterst plezierige mengeling van ska, rock, funk, tango, salsa, reggae en punk. Met mooi gitaarwerk van Ariel Minimal (echt een goede gitarist) op vooral het nummer Il Pajarito, die hierop een beetje doet denken aan John Frusciante van de Red Hot Chili Peppers. En op andere nummers hoor je veel saxofoons en trompetten. Calaveras y Diablitos en Nino Diamante (Brubeck) is zelfs jazz. Op Hoy Llore Cancion is Ruben Blades te horen (acteur en salsa muzikant uit Panama). Sabato is een hommage aan Ernesto Sabato en Piazzolla is een hommage aan Astor Piazzolla. Fabulosos Calavera is absoluut een album waarbij je je op je gemak kunt voelen. En ook al gaan al die nummers over de de dood: El Muerto, slagers: El Carnicero de Giles/Sueno, skeletten en schedels: Surfer Calavera, en duivels: Calaveras y Diablitos: de muziek ademt leven. Je voelt de zon schijnen. Het is vrolijke muziek. Opgenomen in studio’s op de Bahama’s en in Argentinie. Uitgebracht door Sony BMG Argentina.

Freudiana – Freudiana (1990)

Ondanks dat er een aantal bekenden van The Alan Parsons Project aan dit album meedoen, zoals John Miles (Tales Of Mystery And Imagination Edgar Allan Poe, Pyramid, Stereotomy, Gaudi), Chris Rainbow (Eve, The Turn Of A Friendly Card, Eye In The Sky, Ammonia Avenue, Vulture Culture, Stereotomy, Gaudi) en Graham Dye (Stereotomy) en ook zangers als Leo Sayer, Marti Webb, Eric Stewart en Kiki Dee, kan Freudiana me niet helemaal bekoren. Goed, Eric Woolfson en Alan Parsons van The Alan Parsons Project hebben weer allemaal “aardige” nummers op dit album in elkaar weten te zetten. Maar dit album is toch een beetje een teleurstelling (vergeleken met wat ik van TAPP ken in ieder geval). Het is een popalbum en een conceptalbum: een rockopera waar een musical van is gemaakt. Andrew Lloyd Webber meets Sigmund Freud. Het is niet zo goed als de drie albums waar ik zelf iets mee heb: de eerste drie albums Edgar Allan Poe, Pyramid, en I Robot. Freudiana ligt meer in het verlengde van latere albums als Turn Of A Friendly Card, Gaudi en Eye In The Sky, albums die me stukken minder aanspreken. En ik moet zeggen zelfs die albums zijn beter. Er staan maar liefst achttien nummers op Freudiana. De enige nummers die de moeite waard zijn, zoals I Am a Mirror, Little Hans, Funny You Should Say That, You’re On Your Own, Let Yourself Go en Sects Therapy, zouden echter misschien wel of op Pyramid of op I Robot hebben kunnen staan. Die zijn namelijk wel van enige kwaliteit. De andere nummers zijn namelijk allemaal nogal middelmatig. Hoewel, binnen het genre van de musical, is een nummer als Don’t Let The Moment Pass op zich wel een knap gecomponeerd liedje. Misschien is het daarom maar goed ook dat Freudiana van Freudiana is en niet van The Alan Parsons Project. Het had makkelijk het slechtste album van het project geweest kunnen zijn. Creatieve meningsverschillen tussen Woolfson en Parsons hebben schijnbaar verhinderd dat het onder die naam is uitgekomen. Misschien maar goed ook. Beste nummer is wat mij betreft Little Hans, gezongen door Graham Dye. Maar dat is dan weer Beatles en de rest van het album Andrew Lloyd Webber (ja, ahum, ook die staat in mijn 1760 lijst). Helaas.

Crowded House – Woodface (1991)

Na het uiteenvallen van Split Enz (Message To My Girl, I Got You, Sweet Dreams, I Hope I Never) kwam Neil Finn in 1985 met Crowded House op de proppen. Woodface was in ’91 het derde album. Geproduceerd door Tim Finn en Mitchell Froom (ALBUM TOP 1760 – Los Lobos, Ron Sexsmith). Er staan maar liefst vijf singles op die in Nederland wel bekend zijn: Chocolate Cake, Fall At Your Feet, It’s Only Natural, Weather With You en Four Seasons In One Day. Vijf nummers zijn geschreven door Neil Finn, zes nummers zijn geschreven door de gebroeders Finn samen, en een nummer is geschreven door drummer Paul Hester (die door zelfmoord tragisch om het leven is gekomen), namelijk Italian Plastic. De meeste nummers waren eigenlijk allemaal bedoeld voor een Finn Brothers album. Het zijn allemaal prettig in het gehoor liggende liedjes. Zitten knap in elkaar. En je hoort in de nummers de lol van het samenzingen en het maken van muziek. Dat klinkt misschien logisch, maar vaak is dat geen voorwaarde voor het maken van goede muziek. Maar in dit geval dus wel. Hier en daar moet je soms zelfs aan The Beatles denken. Het album komt dan wel alweer uit 1991, maar de muziek zou zomaar nog dit jaar gemaakt kunnen zijn. Het is een tijdloos album. Wat beslist niet wil zeggen dat alle nummers even sterk zijn. En het is ook geen vernieuwende muziek. Misschien moet je het vergelijken met Venice, maar dan beter. Met o.a hulp van David Hildago (ALBUM TOP 1760 – Paul Simon, Ramblin’ Jack Elliott, John Lee Hooker) van Los Lobos op accordeon op het nummer As Sure As I Am. Opgenomen in vijf verschillende studios. A&M Studios in Hollywood (ALBUM TOP 1760 – Joni Mitchell, The Flying Burrito Brothers, Carole King, Melissa Etheridge), Platinum Studios in Melbourne, The Sound Factory in Hollywood (AT1760 – Warren Zevon, Linda Rondstadt), Ocean Way Recording ook in Los Angeles (AT1760 – Red Hot Chili Peppers, John Hiatt, Beck, Blake Mills, Chris Stills) en Periscope Studios, ook in Melbourne. Uitgebracht door Capitol Records.

Mary Black – Babes In The Wood (1991)

Babes In The Wood is een celtic folk album. Het zijn voornamelijk allemaal romantische liefdesliedjes. Goed gezongen met Black’s mooie stem. Misschien is het allemaal een beetje te zoetjes, te gladjes en te lief. Het heeft toch allemaal iets van de hoedenmeisje met een jurk die met een gieter haar bloemen op het balkon maar weer eens water gaat geven. En normaal houd ik ook niet van zangeressen met een perfecte zuivere stem. Meestal vind ik dat nep. Maar daar kun je aan wennen. En soms moet je daar ook een uitzondering voor maken, vind ik. Want ik heb wel respect voor deze vrouw. Hoewel ze geen enkel nummer zelf geschreven heeft en alleen maar zingt, komt ze wel oprecht over. Wat mezelf betreft vind ik dit een album dat ik nog net goed vind. Sommige nummers zijn dan ook wel een beetje saai en klefferig, zoals Bright Blue Rose, Golden Mile, Prayer For Life, Adam At The Window, Just Around The Corner, en nog een paar anderen, helaas. Maar een aantal nummers zijn ook wat spannender, zoals het titelnummer Babes In The Wood en Brand New Star. Dimming Of The Day doet aan Eva Cassidy denken, en is een cover van Richard Thompson. Beste nummers zijn Still Believing en The Urge For Going, een mooie cover van Joni Mitchell.

Majek Fashek – Rainmaker (1997)

Reggae uit Nigeria. Fashek, geboren als Majekodunmi Fasheke, is op 1 juni 2020 overleden. In Nigeria was hij het meest bekend van het nummer Send Down the Rain en zijn album Prisoner of Conscience uit 1988. Na King Sunny Ade en Fela Kuti was hij de derde belangrijkste artiest uit Nigeria. In 1989 won hij zes Performing Musicians Association of Nigeria awards. In 1990 tekende hij voor Interscope Records en maakte Spirit Of Love, een album geproduceerd door Steven Van Zandt. En in 1992 was hij bij David Letterman te bewonderen. Fashek is beinvloed door Bob Marley, Jimi Hendrix en Fela Kuti. Hoewel Rainmaker een prettig in het gehoor liggend reggae album is, zonder echte politieke boodschap, staan er hier en daar maar een paar maatschappijkritische teksten op. Zoals in de nummers African Unity en Promised Land. Maar in het algemeen is de boodschap toch vooral alleen maar vrede, liefde en begrip. Onschuldige teksten waar niemand echt wakker van ligt. Iedereen wil in een betere wereld wonen. En wie is er niet tegen onrecht. Er staan ook twee covers op dit album: Hotel California van The Eagles en Hey Joe van Jimi Hendrix. Toch is deze muziek aangenaam om naar te luisteren. Kpangolo, LA, Prostitute Destitute, I Wanna Know. Prima nummers. Het is allemaal dan wel geen ska, roots & political reggae, rocksteady, juju, dessert blues, afrobeat of afropop. Laat staan dat het iets met Jamaica te maken heeft. De muziek zwingt absoluut, maar dan niet van het niveau van bijvoorbeeld landgenoot Fela Kuti. En als je het dan toch moet vergelijken dan is Fela Kuti rock. King Sunny Ade blues en dit pop. Maar dat maakt niet uit. Rainmaker is een goed album. En Faskek zeer beslist de Bob Marley van Afrika. Zijn stem klinkt ook als Marley. Radiovriendelijke reggea, zonder Babylon, Zion of een Pan-Amerikaanse boodschap. Send down the rain, Rainmaker! En met ook een paar goede gitaarsolo’s.

Albums 1611 – 1620

I Am Oak – On Claws (2010)

De uit Bergeijk afkomstige Thijs Kuijken heeft in 2010 met zijn Utrechtse band een prachtplaat afgeleverd. Ik kan niet anders zeggen. Indie folk met veertien liedjes van zo’n twee minuten. On Trees and Birds and Fire, Wolves in the Yard, Don’t I Know Enough, Hearth, Trumpets : het zijn allemaal nummers waarvan je denkt waarom heeft iemand hier dit nog niet eerder gemaakt. Voor Nederlandse begrippen heeft I Am Oak namelijk een uniek geluid. Het zijn emotionele klaagzangen, haast religieus. Muziek voor bij het knapperende haardvuur. Muziek voor als je na een lange boswandeling koud bent geworden en met een kop warme chocolademelk intens gelukkig wordt als je deze plaat hoort. Het is pure schoonheid. Breekbaar. Met ziel blootleggende ontboezemingen en vooral met zachtaardige en stemmige vocalen, die je onmiddelijk doen denken aan wijdse Amerkaanse landschappen, waar de mens ondergeschikt is aan de natuur. Er staan maar een paar nummers op die afwijken van de rest. Under Sun klinkt wat geforceerd. Storm lijkt wat zeurderig. En op sommige andere nummers begint het getokkel op de gitaar en de banjo wat te vervelen. Dan lijkt deze muziek wat te traag waar weinig afwisseling in zit. Maar dat zijn kortstondige momenten. Murmur is zelfs als enige nummer wat irritant. Maar de laatste twee nummers On Crest en Clavicles zijn weer prachtig. De meeste nummers lijken echter niet helemaal goed uitgewerkt te zijn, hoe kort ze eigenlijk ook duren. Het is meer sfeer dan dat het kant en klaar gemaakte folkliedjes zijn. Maar waarschijnlijk was dat ook juist de bedoeling. En gelukkig maar. Voor de rest is dit namelijk gewoon een mooie plaat. Van internationale allure.

Jerry Garcia – Garcia Plays Dylan (2005)

Jerry Garcia en Grateful Dead hebben altijd een sterke connectie gehad met Dylan. The Dead heeft een hele geschiedenis met Dylan. Denk bijvoorbeeld ook aan Dylan’s album Dylan & The Dead uit 1989. Garcia heeft op dit album de meest voor de hand liggende nummers verzameld. Maar waarschijnlijk was het juist moeilijker kiezen welke hij hier niet op deze live verzamelaar zou zetten. De nummers zijn allemaal live opgenomen van 1973 tot 1995 op verschillende locaties. Samen als Garcia & Saunders, Jerry Garcia Band en samen met Grateful Dead. De meesten zijn opgenomen in The Keystone in Berkeley, namelijk Tough Mama, Positively 4th Street en Knockin’ on Heaven’s Door (staat ook op Dylan & The Dead). Twee nummers zijn opgenomen in de Warfield Theatre in San Francisco, namelijk I Shall Be Released en Forever Young. De rest is opgenomen op negen andere locaties in de Verenigde Staten. De nummers zijn dus niet echt een verassing. En dat is jammer. Gaat het er dan misschien meer om hoe hij deze nummers brengt? Want hij heeft ze in ieder geval wel eigen gemaakt. En dat is wat me eigenlijk een beetje dwars zit. Misschien ook omdat hij deze nummers zo makkelijk brengt. Het kost hem geen enkele moeite. Maar ikzelf luister door dit album eigenlijk automatisch naar The Dead. Dat is geen schande natuurlijk, verre van dat zelfs, want ik ben een groot liefhebber van de Dead. Maar toch bedoel ik het in dit geval niet als een compliment. Hoe goed dit album ook is. Want er staan mooie uitvoeringen op. Maar geen verassende. Alleen She Belongs To Me, Tough Mama en When I Paint My Masterpiece, zijn nummers die in mijn dylancoveralbumverzameling niet door anderen zijn gedaan. En als ik toch een paar mooie uitvoeringen moet noemen: Senor (Tales Of Yankee Power), The Mighty Quinn (Quinn The Eskimo) en When I Paint My Masterpiece hebben mijn voorkeur. Garcia heeft beslist betere albums gemaakt. De Dead heeft beslist betere albums gemaakt. En ook zijn er andere artiesten die interessantere albums gemaakt hebben met Dylan covers. Hier komt het eigenlijk op neer.

Caesar – No Rest For The Alonely (1998)

Tweeentwintig jaar geleden alweer kwam dit tweede album van Caesar uit. Geproduceerd door Frans Hagenaars (ALBUM TOP 1760 – Johan, Anne Soldaat, Alamo Race Track, Tangarine, Moss, Tim Knol), die twee jaar eerder nog zijn Nothing sucks like Electrolux label had veranderd in Excelsior Recordings. Het debuutalbum van Caesar was zelfs de allereerste release van Excelsior (ALBUM TOP 1760 – o.a. Johan, Moss, zZz, Tim Knol). Dit Amsterdamse trio was in de jaren negentig bijzonder succesvol. En jammer eigenlijk dat ze maar zo kort hebben bestaan. Want misschien is deze band wel een van de interessantste gitaar bandjes van Nederland geweest. Zanger Roald van Oosten zingt met zijn karakteristieke stem op alle nummers met veel geklaag, verbazing en verwondering: hij gaat de wereld te lijf met eenvoud en noodzaak. Wat hij zingt moet gezongen worden. Er staan nogal wat pakkende gitaarliedjes op No Rest For the Alonely. Zoals My Loss, Before My Head Explodes, Slavesong, Visions of Mars, Stains, Situations Complications, This Ain’t a Song en Lifesupport. Horrorscope, waarop Marit de Loos de leadvocals voor haar rekening neemt, heeft iets innemends. Er staat in principe geen enkel zwak nummer op dit album. Maar als je toch iets negatiefs zou moeten schrijven, zou je kunnen zeggen dat over het algemeen genomen twee of drie nummers (van de veertien) iets minder melodieus zijn en misschien ook wel een beetje gaan vervelen. Maar dat is het dan ook. Van al die andere nummers kun je alleen maar constateren dat het niet verwonderlijk is waarom ze zo populair waren in die tijd. No Rest For The Alonely is natuurlijk niet het beste album dat er ooit gemaakt is door een Nederlandse band, maar je moet van de stem van Roald van Oosten houden om dit gewoon een Nederlands Klassiek album te vinden. En dat doe ik. No Rest For The Alonely is een Nederlands Klassiek Album!

Po’ Girl – Follow Your Bliss (2010)

Po’ Girl komt uit Vancouver. En bestaat uit Allison Russell, Awna Teixeira, Benny Sidelinger en Mikey August. Follow Your Bliss is het zesde en laatste album van deze band, alweer uit 2010. Daarna is er niets meer vernomen van dit gezelschap. Zangeres Allison Russell heeft een album gemaakt met Our Native Daughters, een project met Rhiannon Giddens, en is ook nog lid van een andere band genaamd Birds Of Chicago. Awna Teixeira, de andere zangeres, heeft in 2015 nog haar tweede soloalbum uitgebracht. Po’ Girl maakt op Follow Your Bliss gospelachtige jazz, americana, zydeco, bluegrass en world roots. En dat is inderdaad een brede schakering van muzikale kleuren die je hoort. Maar toch is het moeilijk om te bepalen welke kant het steeds op gaat met al deze nummers. Op zich is het wel interessante muziek. De muzikanten beheersen meerdere instrumenten, zoals banjo, clarinet en accordeon. Er staan een paar sterke nummers op, zoals Kathy, Montana, het Franstalige Maudite Guerre en Kiss Me In The Dark. Er is niets mis met Follow Your Bliss. Het is uitstekende muziek, de teksten zijn allemaal nogal persoonlijk, maar er staan helaas net iets teveel nummers op die je zo weer vergeet. Ze zijn eigenlijk net iets te oppervlakkig. Wel met goede intenties gemaakt. En dat is jammer. Want de muziek klinkt alsof het bij je thuis is opgenomen. Wat ikzelf dan weer een pluspunt vind.

Julien Clerc – Niagara (1971)

Julien Clerc had vroeger vooral veel haar. En hij speelde ook ooit in de musical Hair. Dat verzin ik natuurlijk niet. Julien Alain August Leclerc, was de Franse zanger waar veel meisjes vroeger voor vielen. Knappe kerel die mooie gevoelige liedjes zong. Waarschijnlijk kennen de meeste mensen alleen Helene en This Melody. Ik moet zeggen dat ik dat zelf draken van nummers vind. Gelukkig staan die niet op dit album. En jammer genoeg staat Elle Voulait Qu’on L’appelle Venise er juist niet op. Wat ik dan weer wel een goed nummer vind. Wat er wel op staat is Ce n’est rien, een andere bekende hit van Clerc, en wat ik dan ook wel weer goed vind. Net als Les Tout Petits Details. Van de liedjes van Clerc wordt je best wel vrolijk. Ze zijn luchtig zonder dat ze gemakkelijk gemaakt lijken te zijn. De meeste teksten zijn geschreven door Etienne Roda-Gil en van twee nummers, Chanson Pour Memere en Coeur-De-Dieu, zijn de teksten van Maurice Vallet. L’Elephant Est Deja Vieux is een mooi gedragen nummer, net als La Fille De La Veranda en Et Surtout. Het laatste nummer Les Enfants Et Les Fifres is een mooie afsluiting met een kinderkoor. Niagara is dan wel geen baanbrekend album, maar het heeft wel zeker hier en daar interessante arrangementen. En de stem van Clerc bevalt me ook wel.

Michel Sardou – Les Lacs Du Connemara (1981)

Jawel, ook Sardou zat in TopPop. Met het titelnummer van dit album: Les Lacs Du Connemara (als je hem in dat filmpje ziet staan moet je meeteen aan Bilbo Ballings denken en de beelden van Connemara zouden zomaar Hobbitstee kunnen zijn). Als je dat nummer zo beluisterd krijg je een beetje de kriebels. Het is absoluut een meezinger en was in Nederland dus een hit. Maar het is niet echt bijzonder, en eigenlijk is het een vreselijk nummer. Maar gelukkig maakt de rest van dit album alles gedeeltelijk wel weer goed. Die nummers zijn allemaal wat ingetogener dan dat bombastische vehikel. Zoals L’Autre Femme. En Le Mauvais Homme lijkt zomaar achtergrondmuziek te kunnen zijn van een Franse misdaadfilm met Jean Paul Belmondo en Alain Delon uit de jaren zeventig. Over het algemeen zijn het allemaal Franse liedjes zoals je die als Nederlander zou willen horen. Vraag me niet waarom. Les Mamans Qui s’en En Vont is een mooi nummer. Preservation is een liedje over Bourbon Street, en hoor je zowaar een beetje jazz. Musica is echter vergelijkbaar met Les Lacs Du Connemara: ook een beetje een meezinger, en dus zeker ook niet mijn favoriet. Etre Une Femme (zo’n typish Radio Tour de France nummer) is om aan te horen. Maar Je Veins Du Sud is gewoon prachtig. Is een van de mooiste stukken van het hele album. In het laatste nummer hoor je de acteur Sardou en is alleen gesproken woord. Les Noces De Mon Pere. En dit is samen met Je Veins Du Sud, L’Autre Femme, Les Mamans Qui s’en En Vont het hoogtepunten van het album.

Brigitte Fontaine & Areski Belkacem – L ‘Incendie (1974)

De samenwerking tussen Fontaine en Belkacem gaat helemaal terug naar ’69. Dit duo heeft tussen 1969 en 1980 zes albums met elkaar gemaakt. Beiden zijn in de jaren zeventig belangrijk geweest in de Franse undergroundscene. Beiden hebben zonder elkaar ook albums uitgebracht, en beiden ook los van elkaar met Jacques Higelin (Franse pop zanger). Fontaine is behoorlijk actief geweest vanaf 1988, waarin ze in deze periode zo’n tien albums heeft uitgebracht. In 2020 kwam het album Terre Neuve nog uit. En Belkacem heeft twee soloalbums uitgebracht in 1970 en 2010. L’Incendie uit 1974 was hun enige album voor het Franse BYG label (ALBUM TOP 1760 – Gong), en het derde album dat ze samen maakten. Strikt genomen ligt deze muziek dicht tegen de kleinkunst aan. De minimale muzikale begeleiding staat in dienst om de twee stemmen van Fontaine en Belkacem optimaal tot hun recht te laten komen. Je hoort een soort van echo door alles heen. Het is soms wat afstandelijk, alsof ze zich soms voorzichtig inhouden. En soms heb je de indruk dat ze niet samen zingen, maar naast elkaar. Af en toe gaan hun stemmen tegen elkaar in en dan vinden ze elkaar weer. Zoals in de nummers Le 6 Septembre, Il Pleut Sur La Gare en Les Murailles. En dankzij dit, is het een mooi album met etnische, experimentele, psychedelische en folk invloeden. Het is poezie en proza gezet op muziek. Een aantal andere nummers zijn daar ook mooie voorbeelden van zoals Apres La Guerre. Het album is opgenomen in Studio Herouville (vlakbij Parijs), waar ook dat Gong album Camembert Electrique in mijn 1760 lijst is geproduceerd, en waar onderandere ook The Idiot van Iggy Pop, Mirage van Fleetwood Mac en Pin Ups van David Bowie zijn opgenomen.

Juliette Greco – La Valse Brune (2008)

Juliette Greco heeft iets onaantastbaars. Ze was een godin die nedergedaald was om de wereld te verheffen. Stijlicoon voor de intelligentsia. Prachtige vrouw, onbereikbaar, maar toch een heldin van het volk. Actrice, chansonniere, vertolkster van het exstentialisme, vechtster voor de vrijheid, een muze voor het artistieke avant-garde wereldje. Ze was een vrouw in het zwart. Op dit verzamelalbum uit 2008 (een van de ontelbare die er van haar zijn verschenen) hoor je eenentwintig chansons die al zijn opgenomen tussen 1954 en 1957. Met nummers van onderandere Brel, Sagan en Brassens. Chanson Pour L’Auvergnat, Coin de Rue, Le Diable, Mefiez-Vous de Paris, Sans Vous Aimer en La Marche Nuptiale. Dat soort muziek. Het is allemaal bitterzoet en wonderschoon. Het doet je smachtend verlangen naar iets wat niet meer lijkt te bestaan: naar een tijd van onschuld, naar een soort van helderheid, eenvoud, zekerheid en duidelijkheid, dat je ook terug hoort in de muziek van Piaf, Aznavour, Brassens en Brel. Het zijn allemaal kleine slagroomgebakjes, kleine poetische miniatuurtjes over het dagelijkse leven. Als je hiernaar luisterd, zie je van die kleine keuterboertjes door het Franse platteland lopen, zie je stokbrood, wijn en Parijse cafeetjes. Maar zie je ook al die kunstenaars en mensen in die Parijse wijk Saint-Germain-des-Pres, waar zij in haar leven zo mee verbonden was. Zie je Satre, Camus en Prevert voor je geest opdoemen. Deze muziek is niet sentimenteel, Ze laten de waarheid horen en zijn fijnbesnaard en ook krachtig. Juliette Creco had vele bewonderaars. Michelle van de Beatles is op haar gebaseerd. Lennon, McCartney en Marianne Faithfull adoreerden haar. Ray Davies heeft een nummer over haar geschreven: Art School Babe. Juliette Greco is in september 2020 op drieennegentig jarige leeftijd overleden. Juliett Greco was een heldin. Onaantastbaar en vooral ook mysterieus.

Roscoe Mitchell – Sound Songs (1997)

De enige muzikant die je op dit album hoort is Mitchell zelf. De man heeft blijkbaar niemand nodig om zijn expressionele kunst te vertonen. Je moet nogal open staan voor iets anders dan je gewend bent. Maar als je er een aantal keren naar geluisterd hebt kom je tot de ontdekking dat dit kunst met een grote K is. Avant garde jazz en free jazz is niet mijn favoriete jazz maar deze man kan spelen. Je moet helemaal teruggaan naar 1966 om te ontdekken dat Mitchell op z’n minst uitgeroepen kan worden als een icoon, als een frontman van de avantgarde en de free jazz. Sound Songs bestaat uit 26 nummers met vrije improvisatie jazz. Op veel van de nummers is gebruikt gemaakt van overdubs en iets van drie stukken zijn live opnames. Er zit geen enkele richting in de muziek. En dat is zeer prettig om naar te luisteren. Op het eerste gehoor denk je de man doet maar wat, maar dat is niet zo. De kracht van dit album is namelijk dat die verscheidenheid van emoties die je hoort, muziek is waar geen grenzen aan zijn te bespeuren. Het is een ware ontdekkingstocht, en dat met een verbazingwekkende ademhalingtechniek. De man kan moeiteloos minuten lang zijn tonen blijven halen. Mitchell speelt de meeste nummers op sopraan en alt sax, maar speelt soms ook fluit op met name het stuk Fallen Heroes. Maar ook percussie en triangel. Full Frontal Saxophone is een prachtig staaltje van technisch vernuft, een tien minuten durende explosie van improvisatie, poezie gemaakt door geluid, en live opgenomen ergens Madison in Wisconsin. En de 4:50 Express, For Madeline en First Sketches of Leola zijn niets anders dan harmonische staaltjes van expressie, durf en emotie. Misschien is Mitchell niet mijn favoriete saxofoonspeler. Maar hij is er wel een die lef heeft om buiten de paden te willen treden. Sound Songs bestaat niet zozeer uit songs die alleen maar simplistisch geluid zijn, maar is gewoon muziek dat geluid gebruikt om mee te kunnen communiceren. Uitgebracht door Delmark (ALBUM TOP 1760 – Junior Wells, Sleepy John Estes, Magic Sam, Sun Ra).

White Lies – Ritual (2011)

Dit indierock trio uit Londen kwam in 2011 met hun tweede album Ritual. Nadat hun debuut To Lose My Life uit 2009 een groot succes bleek te zijn, kon deze opvolger natuurlijk niet uitblijven. Al eerder in 2008 maakte de band hun televisiedebuut bij Later with Jools Holland voorat er ook maar iets was verschenen. Hadden optredens op het Reading and Leeds Festival, Glastonbury, Rock Werchter en Pinkpop. Het publiek sloot deze band zonder morren in hun armen. Kortom het is met deze band toen hard gegaan. Tegenwoordig is het wat stiller geworden rondom White Lies. In 2019 kwam hun laatste CD uit genaamd Five, niet bepaald een wereldschokkend album. En Ritual, uit 2011, klinkt ook niet bepaald vernieuwend. In feite zit er weinig variatie in de tien nummers. Misschien moet je wel zeggen dat ze allemaal hetzelfde klinken: vaak saai, monotoon, en vooral behoorlijk deprimerend (wat heel wat wil zeggen als men in aanmerking neemt dat hun eerste album pas echte depressieve muziek was). In de meest gunstige zin kun je het misschien wel melancholish noemen. Er staan maar een paar interessante nummers op. Streetlights en Holy Ghost zijn aardig. Turn The Bells is gewoon Depeche Mode. Eerlijk gezegd gaan alle nummers snel vervelen en is het allemaal wat zeurderig. Dit soort muziek is al jaren geleden gedaan door bijvoorbeeld Joy Division. En dan vele malen beter. Daarbij vergeleken mist White Lies gewoon een eigen geluid. Het is emotieloos: bombastisch zonder enige diepgang en zonder enige betekenis. En zonder boodschap. White Lies was een hype. Was het nieuws in 2011 dat dit een belangrijke release zou worden alleen maar een leugentje om bestwil? White Lies zijn er blijkbaar altijd! Uitgebracht door Fiction Records (ALBUM TOP 1760 – Tired Pony, The Maccabees, Elbow), geproduceerd door Max Dingel en Alan Moulder (AT1760 – Smashing Pumpkins), en opgenomen in Assault & Battery 2, eigendom van Moulder en Flood. Flood was betrokken als producer van albums in mijn 1760 lijst van Sigur Ros, Depeche Mode en Nine Inch Nales. Als je jezelf afvraagd wat voor soort muziek dit is: ik zou zeggen kijk in de ogen van de twee vrouwen op de hoes. Die zijn namelijk nogal leeg.

Albums 1621 -1630

Roger Taylor – Happiness? (1994)

Drummer Roger Taylor van Queen heeft in het verleden een aantal nummers van Queen geschreven die er voor deze band toe hebben gedaan, zoals Modern Times Rock ‘n’ Roll, The Loser in the End, Tenement Funster, I’m in Love with My Car, Drowse, Sheer Heart Attack, Fight from the Inside, Fun It, A Kind of Magic, The Invisible Man en Heaven for Everyone. Voor Queen fans zijn dat allemaal bekende songs. Taylor wordt uiteraard ook gezien als een goede drummer. En ook is hij natuurlijk een verdienstelijke zanger. Het is moeilijk om niet van zijn stem te houden. Hij had voor dit album al twee soloalbums op zijn naam, en ook al drie albums uitgebracht met zijn eigen band The Cross. Op dit album wordt Taylor bijgestaan door Phil Spalding (ALBUM TOP 1760 – Talk Talk, Terence Trent D’Arby), Phil Chen (ALBUM TOP 1760 – Jeff Beck) en Jim Cregan (ALBUM TOP 1760 – Katie Melua). Op zich is Happiness? niet echt bijzonder. Je moet denk ik een Queen fan zijn om dit te kunnen waarderen. En dat valt niet mee. Maar een paar nummers zijn het luisteren de moeite waard. Voor de rest is het behelpen. Happiness, You Had To Be There, The Key. Foreign Sand en Old Friends (over Freddie Mercury). Maar een kritisch nummer zingen over Robert Murdoch, Dear Mr. Murdoch, en in het verleden een album uitbrengen dat News Of The World heet, is dan weer wat hypocriet. En met zijn voor de hand liggende politieke nummers, met wat simplistische teksten over nazis en de derde wereld, Nazis 1994 en Revelations, valt Taylor als protestzanger echter door de mand. Dat zijn niet meer dan platidudes die hij hier bezingt. Uitgebracht in 1994 en uiteraard opgedragen aan de in 1991 overleden Freddie Mercury, zoals het hoort. Is dit inderdaad happiness? Gelukkig staat er een vraagteken achter.

Maria Muldaur – Heart Of Mine: Love Songs Of Bob Dylan (2006)

Maria Muldaur is niet de enige die een album met nummers van Dylan heeft uitgebracht. Zij is geen uitzondering. Meestal zijn dat albums met nummers die iedereen wel eens een keer heeft gedaan. Soms werkt dat en soms ook niet. Het gaat er dan om hoe je die nummers vertaald naar iets anders, dat nog niet is gedaan. Het moet natuurlijk niet teveel als Dylan klinken, en je moet er iets in horen wat Dylan misschien zelf niet heeft willen overbrengen. Veel artiesten trappen in de valkuil van het gemakzuchtige. Iedereen met hun eigen oorzaken. Maria Muldaur, geboren in Greenwich Village in New York City, trapt denk ik ook in die valkuil. Ook al is de keuze van de nummers op dit album dan weer wel origineel, met nummers van Time Out Of Mind, Love And Theft en Shot Of Love, met allemaal liefdesliedjes van de man. En Dylan heeft heel wat liefdesliedjes geschreven. Op dit album hoor je er een aantal die wel verassend zijn (van de coveralbums die ik zelf heb althans), zoals Golden Loom, Moonlight, Wedding Song en You’re Gonna Make Me Lonesome When You Go. Wat dat betreft krijgt Muldaur een compliment. En van de bekendere nummers mogen Buckets of Rain, To Be Alone With You en Heart of Mine ook een compliment krijgen. Muldaur zelf klinkt als een zangeres met een doorleefde stem. Daar ontbreekt niets aan. De vrouw is net als Dylan in de Heer gegaan; ook zij liep in de jaren zestig in Greenwich Village rond; heeft waarschijnlijk samen met hem op dezelfde avonden opgetreden in de verschillende coffeehouses in het coffehouse cicuit van The Village, en zat zelfs in de film No Direction Home. Dus ze weet over wie ze zingt. Maar Lay Baby Lay (Lay Lady Lay) en Make You Feel My Love, klinken helaas uitermate saai. On A Night Like This is ook niet interessant. Net als I’ll Be Your Baby Tonight. Hier zit geen bezieling in. Dit jazz georienteerde album, met het country uitstapje You Ain’t Goin’ Nowhere, zit qua muzikanten echter wel goed in elkaar. Prima voor de bakker dus. Dit sleept je er dan ook doorheen. Aangenaam om naar te luisteren. Alleen is het (net als dat album van Judy Collins dat ik heb, en ook een vrouw met een Greenwich Village verleden) niet het ultieme coveralbum van Dylan, wat mij betreft. Helaas.

Styx – Cornerstone (1979)

Ik heb nooit veel met Styx gehad. Vond deze band eigenlijk altijd maar niets. Het was dan wel een prog rock band, maar voor mij hoogstens in dit genre te vergelijken met bijvoorbeeld Kansas, Saga, en andere stadion rock bands als Boston, Foreigner, Cheap Trick, Journey en UFO. Styx was en is voor mij dan wel geen Yes, Genesis, Jethro Tull of Pink Floyd, maar ze horen wat mij betreft wel in mijn 1760 lijst thuis. Net als Kansas trouwens. De reden dat ik juist dit album van ze gekocht heb is eigenlijk alleen om Boat On The River. Dat ik wel een aardig nummer vind. Babe, het andere bekende nummer, is echter het tegenovergestelde. Dit is eigenlijk een verschrikkelijk misseljikmakend liedje, maar zit wel knap in elkaar, maar dus niet mijn cup of tea. Net als dat andere nummer First Time, wat hemeltergend sentimenteel is. Babe is eigenlijk het Dust In The Wind van Styx. Maar als je het gaat vergelijken met die andere nummers is het misschien qua compositie wel het beste nummer, maar niet perce waar ik zelf dan dus warm voor loop. Love In The Midnight, is het meest prog rock achtige nummer. Op Why Me hoor je een saxofoon. Borrowed Time, Love In The Midnight en Eddie; dat over Edward Kennedy gaat (eddy now don’t you run, you know you are a bootlegger’s son), klinken wat steviger. Misschien moet je dit album geen prog rock meer noemen. Maar meer melodieuze rock in een dun prog jasje. Sommige nummers hangen nog net tegen de prog rock aan. Maar ik moet zeggen dat het geen slecht album is. Maar het is in ieder geval geen belangrijk prog rock album.