De uitklaphoes van de LP #112

A van Jethro Tull

A is het dertiende studioalbum van Jethro Tull. Het werd uitgebracht in 1980, een goed jaar na Stormwatch uit 1979. Het album werd in eerste instantie geschreven en opgenomen met de bedoeling om het het debuut van Ian Anderson als solo artiest te laten zijn. Door druk van de platenmaatschappij werd het uiteindelijk een Jethro Tull album. Muzikaal gezien was het een afwijking van eerdere Tull LP’s, waarbij het meer een elektronisch rockgeluid had met veel gebruik van synthesizers, maar met nog wel steeds de kenmerkende folk invloed en het kenmerkende fluitspel van Anderson. Het album was de eerste Tull release dat werd uitgebracht na een grote line-up wijziging waarbij drummer Barriemore Barlow, toetsenisten John Evan en Dee Palmer de band in 1980 verlieten, terwijl bassist John Glascock het jaar daarvoor was overleden aan hartcomplicaties. Het album bevat in plaats daarvan Glascock’s touring vervanger Dave Pegg (Fairport Convention) op bas, Mark Craney op drums en Eddie Jobson (U.K.Roxy MusicKing Crimson) op toetsen en elektrische viool gecrediteerd als een speciale gast. Gitarist Martin Barre en Ian Anderson zijn dus de enigen als oudgedienden nog op het album aanwezig. Als Jethro Tull fan zou ik dit andere geluid op de LP niet eens als het slechtste album van de band willen bestempelen. Albums als Crest Of A Knave, Rock Island en Catfish Rising spreken me stukken minder aan. Hoewel er een aantal nietszeggende tracks op staan (CrossfireProtect And SurviveBatteries Not Included) die de middelmatigheid niet overstijgen, The Pine Marten’s Jig is een van de beste nummers op het album, met een mooie wedstrijd tussen de fluit van Anderson en de viool van Eddy Jobson. Opgenomen in Ian Andersons eigen Maison Rouge Studios en uitgebracht door Chrysalis.

This entry was posted in LP Verzameling. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *